Nieuwe rector wordt gauw een Nikkelen Nelis

Is de school een bedrijf en moet de rector meer ondernemer worden? Zijn taak is zwaarder geworden sinds scholen hun eigen personeelsbeleid kunnen voeren.

Doelbewust marcheert rector C.B. Bisschop (62) door het trappenhuis van zijn protestants-christelijke Van Lingen College in Arnhem. Bij een bibberige cartoon aan de muur staat hij stil. Een rose mannenhoofd steekt door het dak van de school. In zijn mond de schoolklok en twee zevenmijlsarmen omklemmen het imposante gebouw. ""Die leerling heeft ondervonden dat ik stipt ben'', zegt de rector triomfantelijk. ""Die kent me.''

Dan, somber: ""Hoelang nog? Schoolleiders dreigen te stikken in pseudo-professionalisering. Ze worden op last van de minister met stapels rekensommen en rechtspositionele regelingen achter hun bureau weggestopt, terwijl ze de onderwijskundige en pedagogische spil van de school horen te zijn.''

De rector moet een permanent aanspreekpunt zijn in het organisme dat school heet, vindt Bisschop. Op zijn school (600 leerlingen voor MAVO“ HAVO en VWO) draait het om kennisoverdracht "in huiselijke sfeer'. Al vanaf het begin van zijn rectoraat, zeventien jaar geleden, verwelkomt hij 's morgens om acht uur zijn leerlingen in de hal. Voor de docenten wil hij een primus inter pares zijn. Hij geeft een HAVO- vijf groep Nederlands en springt in als er een brugklasdocent uitvalt.

Met die relatie op basis van gelijkwaardigheid heeft hij meer moeite sinds in augustus vorig jaar - bij wijze van bezuiniging - het zogeheten formatiebudgetsysteem (fbs) werd ingevoerd als eerste stap naar grotere autonomie voor de school, vooral bij het uitstippelen van het personeelsbeleid. ""Er is een hybride verhouding ontstaan. De rol van werkgever speel ik zo terughoudend mogelijk en slechts in nauwe samenspraak met mijn deskundig bestuur. Want ik ben geen ondernemer en de school is geen bedrijf. Een school draait op lessen. Ik wil slechts de onderwijskundige motor zijn en mijn docenten inspireren.''

Collega R. Emmerik (43) legt juist wel de nadruk op de bedrijfsmatige aanpak. De rector van de Rotterdamse openbare scholengemeenschap Hugo de Groot voor MAVO, HAVO en VWO (800 leerlingen) doet iedere morgen van acht tot half negen een halfuurtje "management-by-walking-around'. De rest van de dag gaat op aan ""vergaderen, onderhandelen en leiding geven''. Na de invoering van het fbs-systeem hebben de docenten hem als hun werkgever geaccepteerd. ""Het is een kwestie van geven en nemen. Onderwijskundige zaken laat ik vrijwel altijd over aan mijn docenten en conrectoren.''

Toen hij ruim vijf jaar geleden als rector begon, kreeg Emmerik van de wethouder van Rotterdam alle ruimte de ingebakken schoolcultuur om te vormen tot een "professionele en reflecterende arbeidsorganisatie'. Van hoog opgeleide werknemers als docenten mag je goede resulaten verwachten, was zijn redenering. Hij ontwikkelde onderwijsindicatoren - cijfers over instroom en doorstroom van leerlingen, eindexamenresulaten, leeftijd en opleidingsniveau van de docenten - en kwam tot een professionele bedrijfsanalyse.

Wil een school goed draaien, dan moet de directeur opereren als een professionele, all-round manager, die zich baseert op bedrijfsresultaten. Emmerik geeft bijscholingscurussen waarin hij schoolleiders vertrouwd maakt met onderwijsindicatoren: ""De leraar die omhoogvalt moet een hoop bijleren.'' Hij piekert er niet over zelf weer les te gaan geven: ""Als je leiding geeft aan een school met 800 leerlingen en 70 man personeel, is dat te duur. De baas bij Philips staat toch ook niet zelf gloeilampen te draaien?''

Enthousiast of tegen heug en meug: de schoolleider/rector/directeur moet steeds meer managementkwaliteiten ontplooien. Schoolleiders anno 1993 worden geacht adequaat de financiën te beheren, eigen personeelsbeleid te voeren en onderwijskundig beleid uit te stippelen. Een complex aan taken die op verschillende niveaus - met verschillende petten heet het in jargon - uitgevoerd moeten worden: de schoolleider is werknemer van het schoolbestuur, gemandateerd werkgever van het personeel, lid van de schoolleiding, pedagogisch en onderwijskundig inspirator, kan de medezeggenschapsraad adviseren, en kan door het schoolbestuur om advies gevraagd worden.

De Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) heeft sinds de invoering van het nieuwe financieringssysteem een stroom vragen te verwerken gekregen. Twee juridisch medewerkers van de vakvereniging houden zich er speciaal mee bezig, aldus penningmeester R. van der Horst. ""Het voeren van een personeelsbeleid is gebonden aan reeks voorwaarden, onderwijskundig, budgettair en vooral rechtspositioneel van aard. De kans een fout te maken is dus groot.''

Dat maakt de nieuwe positie van de rector kwetsbaar, aldus Van der Horst. ""De rector is een relatief gemakkelijke kop van Jut geworden. Je ziet dat het bevoegd gezag in plaats van te professionaliseren, zich in veel gevallen terugtrekt en de directeur zijn gang laat gaan. Totdat hij teveel geld uitgeeft of de verkeerde docent op straat zet: dan is hij opeens De Eigengereide Leider, die de laan uit moet. Wij stimuleren onze leden hun taken en verantwoordelijkheden vast te leggen in een directiestatuut. Want niet alleen het fbs maakt de schoolleider kwetsbaar: ook ontwikkelingen als fusies en basisvorming worden soms aangegrepen om de directeur te dumpen.''

Sinds augustus is het aantal conflicten waarbij schoolleiders betrokken zijn, daadwerkelijk toegenomen, al kan Van der Horst geen concrete getallen noemen. Te snel, vindt Van der Horst, worden de rectoren geacht volleerde professionals te zijn, die het personeelsmanagement "er even bijdoen'.

Mede door de slechte ervaringen, opgedaan bij een soortgelijke verandering in het HBO en MBO eind jaren tachtig, heeft de AVS niet blind vertrouwd op de autodidactische kwaliteiten van de schoolleider. Met onder meer cursussen over het formatiebudgetsysteem trachten ze hun leden om te toveren tot accurate rekenmeesters, die vertrouwd raken met "het woud van rechtspositionele randvoorwaarden'.

Het zijn wat dat aangaat mooie tijden voor de cursusleiders. T. van Hees is begonnen bij Unilever en tegenwoordig directeur van Interstudie, centrum voor Onderwijsmanagement in Arnhem en Nederlands grootste "bijscholer van schoolleiders'. Wijzend op een stapel overheadsheets doceert hij: ""Er zijn dertien criteria waaraan een directeur moet voldoen: van ondernemerschap tot onderwijskundig leiderschap, van stressbestendigheid tot humor. En bovenal: een onderwijshart en gevoel voor haalbaarheid.''

Op basis van de bijscholingscursussen vermoedt Van Hees dat zo'n twintig procent van de zittende schoolleiders ""beter af is bij een outplacement-bureau''. De meesten hebben nooit gevraagd te mogen managen; toen ze begonnen was de docentenkamer hun werkterrein. Andere rectoren ziet hij doorschieten: ""Die gaan in de klas zitten bij docenten die al twintig jaar aan de school verbonden zijn, en breken hen daarna in een functioneringsgesprek keihard af. Natuurlijk staat de rector als werkgever boven docenten, maar het is geen eenrichtingsverkeer: hij moet hen tegelijkertijd inspireren, zorgen dat er vonken overslaan.

Beginnende schoolleiders kunnen tijdens het eerste jaar van hun rectoraat bij Interstudie een "overlevingscursus' volgen. De meesten klommen in de ene school op van leraar naar conrector en zijn op een andere tot rector benoemd. Eén op de tien beginners brandt na een jaar af, is de ervaring van Van Hees. ""De nieuwe rectoren zijn goede managers maar je ziet ze steeds vaker als onderwijskundig leider tekortschieten.''

Dat belooft wat, als er in de toekomst met de geplande lump-sum financiering nog meer taken bijkomen. Het ministerie wil niet meer stap voor stap voorzeggen hoe het moet, maar scholen meer ruimte laten voor eigen beleid. De moderne schoolleider moet een nieuwe Bint zijn, die onverschrokken zijn gang gaat.

Voorlopig blijft het schipperen in de praktijk, daar zijn de Arnhemse en de Rotterdamse rector het over eens. De beloofde beleidsvrijheid is gering: de marges voor eigen beleid zijn praktisch tot nul gereduceerd. Grote boosdoener is de reeks voorschriften waaraan de schoolleiders moeten voldoen en die tegelijkertijd de kans op uitglijden hebben vergroot. De Rotterdamse rector Emmerik: ""Regels en nog eens regels. Er zullen hoogstens accentverschillen ontstaan tussen scholen. Die eenheidsworst zal het Nederlandse onderwijs nog wel even blijven.''

Bisschop kan zich in die kritiek vinden: ""De schoolleider is een uitpluizer van regels geworden: draai de verwarming drie graden lager dan kun je er een leraar bijnemen. Maar wachtgelders gaan voor, geschikt of niet. De schoolleider zou prioriteit moeten geven aan inhoud, aan onderwijskundige vragen. Geven we nog literatuurgeschiedenis of hebben we dat niet meer nodig op de camping? Het gaat tenslotte om kennis.''