Koket met kaproen, bolhoed en baseball-pet; Colin McDowell over de hoed als symbool

Colin McDowell Hats: Status, Style and Glamour, Thames and Hudson 1992. 224 blz. Prijs ƒ 77,10. ISBN 0 500 01546 5.

De eerste keer dat een konijn uit een hoge hoed werd getoverd, was in 1814, toen de Franse hofgoochelaar Louis Comte deze truc bedacht. Het was geen toeval dat het dier juist uit een hoed kwam, want dit kledingstuk had vanouds een magische uitstraling. Afgezien van eskimo's, berbers, cowboys en scooterrijders heeft niemand eigenlijk een hoofddeksel nodig. Hoeden hebben eeuwenlang vooral gediend om de drager mooier te maken, hem maatschappelijk te plaatsen, te imponeren en om een sfeer van bovenmenselijkheid op te roepen. Zo was dit meest nutteloze van alle kledingstukken een onmisbaar sociaal signaal voor standen, groepen en beroepsuitoefenaars. In het oude Rome droegen alleen vrije burgers een hoofddeksel. Slaven waren uitgesloten van dit voorrecht. Pas als hij werd vrijgelaten, mocht hij een pileus op zijn hoofd zetten.

Over de hoed als kledingstuk en statussymbool publiceerde de Britse modejournalist Colin McDowell onlangs het omvattende Hats: Status, style and Glamour. Zijn aanpak is dezelfde als die in zijn eerdere cultuurhistorische studie over de schoen, Shoes: Fashion and Fantasy (1989): een rijk gellustreerd verhaal vol geschiedkundige weetjes en hilarische anekdotes. Capita selecta over het religieuze hoofddeksel door de eeuwen heen, erotische hoeden, de hoedenindustrie in de westerse wereld en de hoeden-etiquette in het Victoriaanse Engeland worden afgewisseld met de behandeling van de veranderende hoofddekselstijlen.

Inmiddels is de hoed de slachting van de jaren zestig weer helemaal te boven gekomen. Hoedenontwerpers als Philip Treacy, Phillippe Model, Stephen Jones en de Nederlandse Maria Blaisse maken furore met even oogverblindende als onalledaagse ontwerpen. Het is opvallend dat de generatie van nu weer aansluiting zoekt bij de tradities van de grote modistes uit het begin van deze eeuw als Jeanne Lanvin, Paulette, Lily Daché en Elsa Schiaparelli. De geschiedenis lijkt een eindeloze op- en neergang van kronen, sluiers, hoofddoekjes, Che Guevara-baretten, tulbanden en phrygische mutsen.

In Hats berijdt McDowell zijn antropologische stokpaardjes, zoals de relatie tussen kleding en macht, status en autoriteit. Uitgebreid staat hij stil bij het verschijnsel dat rijke en machtige mannen in het verleden graag imposante hoofddeksels droegen - hoe rijker en machtiger, des te hoger en extravaganter de hoed, zou wel eens een historische wetmatigheid kunnen zijn. Een zwarte kachelpijp-hoed van een Engelse Lord liet diens superioriteit ten opzichte van vrouwen en pachters zien door ten minste 25 centimeterlichaamslengte toe te voegen. In de late middeleeuwen was de "kaproen' (kap met kraag) in de mode. Hier hing een lange lierepijp (een soort staart) aan, die als een slang op de rug bungelde: een fallisch symbool volgens McDowell. Ook al verdween de kaproen, middeleeuwse macho's bleven nog graag met de lierepijp koketteren.

Vrouwen werden daarentegen vaak opgescheept met ingewikkelde en bijna ondraagbare hoeden. Gehinderd door de last van hun hoofddeksels, schuifelden zij voetje voor voetje door het leven, niet in staat tot werk en afhankelijk van hun dienaren. De jaarlijkse hoedenextravanganza op de races van Ascot is hiervan een overblijfsel.

In de negentiende eeuw beleefden hoedenfabrikanten en winkels hoogtijdagen. De bekendste was Lock's aan de St. Jamesstreet te Londen, die al in 1676 was opgericht. Sedertdien werden hier de beroemdste hoofden van het westelijk halfrond (zoals Charlie Chaplin, Elizabeth II en de Japanse keizer Akihito) bediend. Een minister-president uit die tijd liet geregeld zijn koets bij Lock's stoppen, liep naar de deur van de winkel en riep keihard hat! om vervolgens verder te rijden. De nieuwe op maat gemaakte hoed werd dan een paar dagen later bij hem thuisbezorgd.

Lock's was zo toonaangevend dat de hoedenstijlen die de firma vernoemde naar haar vaste klanten algemeen ingeburgerd raakten. Zo heette de bolvormige harde hoed, die Lock's voor William Coke uit Norfolk ontwierp, aanvankelijk een "Coke hat'. Coke testte de stevigheid van de hoed door er bovenop te gaan staan, en ging akkoord met het ontwerp. Na zijn dood werd de hoed steeds populairder, en kreeg uiteindelijk de naam van de Bowlerfamilie in Southwark die de hoed voor Lock's maakte. Tegenwoordig kennen we het model nog steeds als "bowler' ofwel "bolhoed'.

In de vorige eeuw was het op de juiste wijze afnemen van de hoed een zaak die veel mannen bezighield. Kranten gaven in stripvorm advies over de manier waarop je je hoofddeksel moest oplichten. Maar ook de manier van dragen was van cruciaal belang. In de New York Post van 1893 staan wat tips: een behoedzaam zakenman draagt zijn hoed recht op het hoofd, opdat hij er onberispelijk en alert uitziet. Een flierefluiter daarentegen draagt de hoed achter op zijn hoofd en iemand die zijn hoofddeksel op de zijkant van zijn schedel plaatst, geeft zichzelf niet bloot. De Engelse Hatter's Gazette had een andere mening: een hoed op de zijkant van het hoofd betekent dat de drager verwaand is, de biljard-keu kan hanteren, houdt van kaarten en graag een ritje te paard maakt, waarover hij meer meent te weten dan ieder ander. Een te grote hoed getuigde volgens dit blad van een "filosofische gemoedsgesteldheid', een te kleine van een "nuffige en zelfoverschattende' natuur.

Het is interessant dat dergelijke sociale codes tegenwoordig weer even nauw luisteren bij de dragers van de streetwise baseball caps. De cap-code is universeel: klep naar voren betekent "trots', klep naar achteren "relaxed', en klep opzij schreeuwt "I'm a joker!'