Homeopatie

In de lezenswaardige column van Dunning (W&O 15 april) staan enkele passages over homeopathische en antroposofische geneesmiddelen die niet geheel juist zijn. Deze preparaten worden middelen en geen geneesmiddelen genoemd, een subtiliteit die menigeen ontgaat'.

De subtiele insinuatie dat de genoemde middelen minder echte geneesmiddelen zouden zijn is beslist onjuist. Het zijn geneesmiddelen in de zin der wet, die echter vrijgesteld zijn van registratie.

Voorts worden Ginseng preparaten, die in Duitsland veel geld kosten aan de Krankenkassen, door Dunning in één adem genoemd met homeopathische en antroposofische geneesmiddelen. Ginseng is echter een fytotherapeutisch product. En dat is toch echt een ander hoofdstuk.

Voorts wordt gesuggereerd dat de betreffende middelen geen plaats in de AWBZ verdienen wegens niet naar wettelijke eisen aangetoonde effectiviteit en werkzaamheid'. Deze passage is vooral subtiel omdat er twee zaken gekoppeld worden die samen logisch en onontkoombaar lijken, maar het ieder voor zich geen van beide zijn. Ten eerste de suggesties over de stand van het wetenschappelijk onderzoek. Sinds het overzichtsartikel van Kleijnen et al. in de British Medical Journal van februari 1991 kan over de homeopathische behandelwijze niet meer a priori gezegd worden dat zij onwerkzaam is.

Door de Vereniging van Homeopathische Artsen in Nederland (VHAN) wordt gewerkt aan nader onderzoek. De adviezen van de Gezondheidsraad over hoe dat onderzoek er precies zou moeten uitzien laten echter al tien jaar op zich wachten.

Als dit de feiten zijn, moeten de homeopathische middelen dan uit het AWBZ-pakket? Dat is maar de vraag. Wanneer de eerste aanwijzingen voor werkzaamheid duidelijk zijn, dan gaan de voordelen van de homeopathische geneeskunde een rol spelen: zij is relatief veilig en relatief goedkoop.

Dan wordt het dus de vraag of het handig is om de preparaten niet langer te vergoeden. Van het totaal aantal uitgeschreven recepten is ongeveer 3% voor homeopathische middelen. De kosten ervan zijn echter nog geen 1% van het budget voor prescriptiegeneesmiddelen.

Door NEHOMA, de branche-organisatie, werden al besprekingen gevoerd met WVC over het herkenbaar maken van homeopathische preparaten die eigenlijk in de zelfhulp thuishoren, de zogenaamde OTC-preparaten. Daarmee zou het mogelijk worden alleen de prescriptiepreparaten te vergoeden, waarmee het geneesmiddelenbudget voor homeopathica wordt gehalveerd. De VHAN is een groot voorstander van een dergelijke oplossing.

Het is natuurlijk denkbaar dat in Nederland voor een heel streng geneesmiddelenvergoedingsysteem zou worden gekozen, waarin alleen de echt levens-noodzakelijke middelen vergoed worden. Dan zouden veel van de reguliere middelen, die vaak slechts twijfelachtige klachtverlichting geven, uit de vergoeding verdwijnen. Dan horen ook de homeopathica grotendeels niet in die vergoeding thuis. Maar zolang niet een dergelijke oplossing wordt verkozen, hebben homeopathica recht op een behoorlijke weging van hun belang voor de volksgezondheid.