Een plusje

VOOR HET BEHEER van de schatkist door minister van financiën Wim Kok bestaat internationaal behoorlijke waardering.

Bij de vertrouwelijke beoordeling van Nederland door het strenge Internationale Monetaire Fonds, anderhalve maand geleden, kwam Nederland er goed van af. De combinatie van structurele bezuinigingen en incidentele maatregelen om volgend jaar het financieringstekort te verminderen tot de norm die is gesteld voor de Economische en Monetaire Unie, kreeg een positief onthaal. Want terwijl in vrijwel alle EG-landen het financieringstekort onder druk van de recessie oploopt, neemt het in Nederland verder af. Weliswaar een tandje minder dan in het regeerakkoord was vastgelegd, maar het pakket voor 1994 wordt beschouwd als een redelijke tussenweg in het licht van de economische conjunctuur.

Volgens het IMF is voor Nederland van groter belang dat lang uitgestelde structurele aanpassingen van de economie plaats vinden. De kritiek richt zich op het Nederlandse onvermogen om het enorme spaaroverschot om te zetten in investeringen die leiden tot meer werkgelegenheid, grotere arbeidsparticipatie en welvaartsgroei. Het sluipende proces van achterblijvende welvaart in Nederland vergeleken met de rest van West-Europa verdient eindelijk aandacht.

DE PRESIDENT VAN De Nederlandsche Bank, Wim Duisenberg, heeft zich eerder deze week kritisch uitgelaten over de ombuigingsplannen van het kabinet voor volgend jaar en later. Voor Duisenberg is het niet voldoende dat in 1994 de EMU-norm voor de omvang van het overheidstekort op het nippertje gehaald wordt, hij wijst met recht ook op de EMU-norm voor de omvang van de staatsschuld. Doordat Nederland de rijke jaren tachtig onvoldoende heeft gebruikt om het financieringstekort versneld terug te brengen, wordt het kasboek van het rijk nog jaren achtervolgd door de rode cijfers van rentebelatingen voor schulden uit het verleden. Als in een volgende kabinetsperiode het overheidstekort slechts met een kwart procentpunt per jaar (een ombuiging van 1,5 miljard gulden) daalt, blijven de overheidsschuld en de rentelasten Nederland tot ver in de 21-ste eeuw achtervolgen. Dat is geen dynamisch vooruitzicht en alleen al daarom zal ook het volgende kabinet jaarlijks ten minste een half procentpunt op het overheidstekort moeten inlopen. Dan zullen eindelijk tegen 1998, niet minder dan 16 jaar na het begin van de grote ombuigingen, de overheidsfinanciën op orde zijn. Geen land ter wereld heeft zich de luxe kunnen veroorloven om zo lang over een saneringsproces te doen.

HET BEHOORT TOT de rol van de president van de centrale bank om als een Cassandra te waarschuwen tegen politieke lichtzinnigheid met de overheidsfinanciën in Den Haag. De badinerende manier waarop premier Lubbers tweeëneenhalf jaar geleden de voorspellingen van Duisenberg afdeed - “als de herfst komt, vallen de bladeren” - is gelogenstraft door de feiten en gecorrigeerd met de Tussenbalans. En ook nu wijst Duisenberg met recht op de zwakke plekken in het begrotingsplan voor 1994: sommige bezuinigingen zijn boterzacht, een deel bestaat uit gelegenheidsmaatregelen en het valt nog te bezien hoeveel gaten de politiek in het pakket zal schieten. In perspectief zijn de zorgen van Duisenberg voor 1994 iets minder zwaarwichtig: het kabinet gaat als een kamikaze-piloot het verkiezingsjaar tegenoet met bezuinigingen en ingrepen in overdrachtsuitgaven. Het had meer moeten zijn en harder, maar gezien de stagnatie van de groei en de verslapping van de financiële discipline in andere landen verdienen de voornemens van Lubbers en Kok voor 1994 een plusje. Mits het bij een eenmalige exercitie met een tandje minder blijft.

Aanpak van de knusse beslotenheid in de Nederlandse economie begint een grotere urgentie te krijgen. Lastenverlichting en afbraak van verstarringen helpen de economische groei te bevorderen. Ondertussen krijgt Kok voor zijn begrotingsbeleid een compliment uit onverwachte hoek: de rente in Nederland is over de hele linie lager dan in Duitsland. Dat heeft uiteraard te maken met de kritieke situatie in Duitsland, maar de financiële markten hebben kennelijk vertrouwen in de voortgaande strategie om het overheidstekort te verminderen, ook na 1994.