Economische crisis: de kans voor vernieuwing

Ondernemen is in Nederland moeilijker dan in veel andere landen. Een voorbeeld uit de dagelijkse praktijk over het opzetten van een bedrijf illustreert dat. De Kamer van Koophandel probeert allereerst de ondernemer in spe "positief te ontmoedigen'. Onder het motto "hoe eerder je kansloze ondernemers afremt des te minder zullen er failliet gaan' krijgen starters stapels brochures. Hierin wordt de nadruk gelegd op de eisen waaraan ondernemers moeten voldoen: vakbekwaamheid, ondernemersdiploma, vestigingsvergunning, hinderwetvergunning, administratieve eisen met betrekking tot BTW, loonbelasting, verzekeringen en boekhouding. In het standaard-ondernemingsplan dat de Kamer van Koophandel meegeeft, worden veel en vooral lastige vragen gesteld.

Intussen gaan er enkele maanden voorbij waarin het gat in de markt langzaam door anderen wordt ontdekt. De starter stapt naar de bank met een businessplan. Bij de bank wordt hij ontvangen door een jonge "trainee' met kredietbevoegdheid tot honderdduizend gulden. Deze begrijpt niets van het plan en wijst voortdurend op de hoge risico's. Als dan ook nog gevraagd wordt naar een onvoorwaardelijke persoonlijk-aansprakelijkheidstelling begint de twijfel weer.

Gelukkig weet een bevriende accountant raad: er zijn speciale risico-kapitaalverschaffers, "venture capital' maatschappijen. Helaas, ook zij bieden geen soelaas. Van de honderd aanvragen financieren ze er slechts twee. Kom nog maar eens terug met een agressief plan dat zich kenmerkt door groei en een internationale aanpak. Voor dat plan is minimaal vijfhonderdduizend gulden nodig.

Na het overwinnen van de eerste drempels hebben starters nog een lange en moeilijke weg voor de boeg. De administratieve lasten van het midden- en kleinbedrijf zijn twee tot drie keer hoger dan in het grootbedrijf. Ook het vinden van personeel levert vaak veel problemen en dus veel kosten op. Is er door een klein en groeiend bedrijf eenmaal personeel in dienst genomen en gaat het gedurende enkele jaren wat minder goed dan kan er in Nederland slechts met grote moeite worden ingekrompen. Sterk groeiende bedrijven kennen een golvend groeipatroon. Enkele jaren van groei worden afgewisseld met stagnatie. In moeilijke tijden moeten de minst rendabele onderdelen worden afgestoten opdat het bedrijf slagvaardig blijft.

In het huidige klimaat lijkt nieuw en groeiend ondernemerschap alleen te zijn weggelegd voor enkele doorzetters. Terwijl juist van nieuwe en groeiende bedrijven de hoogste bijdrage aan 's lands welvaart moet komen. Naast hun grote rol in het verschaffen van werkgelegenheid leveren kleine en groeiende bedrijven betere prestaties op het punt van innovatie. Een typisch voorbeeld is het high-tech kunststof verwerkend bedrijf Holland Composites uit Zandvoort. Het maakt met drie man onderdelen van racefietsen, catamarans, surfplanken en auto's. Sneller en tegen een fractie van de prijs waarop gevestigde bedrijven dat doen, worden er prototypes ontworpen en produkten gemaakt.

Meer ondernemende personen zouden een onderneming moeten starten en reeds begonnen ondernemers zouden gemakkelijker moeten kunnen groeien. De Philipsen, DAF's, IBM's van morgen staan nu op. Ten behoeve van meer starters zou allereerst de Nederlandse ondernemerscultuur moeten veranderen. Met de campagne "Onderneem 't maar' heeft het ministerie van economische zaken de eerste aanzet gegeven om de houding ten opzichte van het ondernemerschap te verbeteren.

EZ subsidieert het werk van particuliere organisaties die tot doel hebben het ondernemerschap aan de Nederlandse universiteiten te stimuleren. In universiteiten liggen volgens Economische Zaken planken vol met ondergestofte commerciële kennis. Bij het stimuleren van het ondernemerschap wordt gebruik gemaakt van netwerken van aspirant-, startende en groeiende academische ondernemers die elkaar zonder kosten helpen. Accountant, banken en financiers geven leden gratis adviezen en er is een jaarlijkse wedstrijd voor businessplannen.

Het is de taak van de overheid om zorg te dragen voor een goed ondernemingsklimaat. Met de versoepeling van de faillissement- en vestigingswetgeving is ze op de goede weg. Ondernemers moeten in Nederland de concurrentie aan kunnen met het buitenland. Daarom moet de collectieve lastendruk verder bestreden worden tot ten minste het niveau van onze buurlanden. Privatisering van overheidsdiensten, terugdringen van het aantal uitkeringsgerechtigden en de fraude kunnen beter worden aangepakt. Ook moet het terugdringen van de bureaucratische voorschriften een politieke prioriteit blijven. Hoe langer met dit soort beleid wordt gewacht, des te meer Nederlands kapitaal en kennis weg lekken naar het buitenland.

Een interessante mogelijkheid biedt de fiscale stimulering van de beschikbaarheid van startkapitaal. Zo'n tachtig procent van al het startkapitaal komt uit eigen spaargeld of van familieleden. De meeste bedrijven hebben genoeg aan een bedrag van zo'n honderdduizend gulden. Investeringen in startende ondernemingen zouden tot een maximum van twintigduizend gulden per persoon per jaar aftrekbaar moeten worden gemaakt van de inkomstenbelasting. Een aantal familieleden kunnen het beginnen van een bedrijf al mogelijk maken. Zo zal een enorme hoeveelheid geld beschikbaar kunnen komen voor nieuwe initiatieven.

De nieuwe industriefaciliteit van achthonderd miljoen zal nauwelijks bijdragen aan een verbetering van de Nederlandse economie. Van het RSV-debâcle weet men in ieder geval dat het zinloos is om kansloze bedrijven te steunen. Een les die minder goed is blijven hangen is die van de venture capital industrie: de bedrijfstak van professionele risico-kapitaal verschaffers.

Toen de venture capital omstreeks 1980 in Nederland ontstond verwachtte men dat het een belangrijke rol zou spelen in het wegnemen van financiële drempels bij veelbelovende maar risicovolle bedrijven. In Massachusetts en Californië was immers op deze wijze de weg vrij gemaakt voor economische groei en werkgelegenheid. Het voortouw in Nederland werd genomen door de Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP) die met vijfhonderd miljoen het ondernemerschap zou gaan steunen. Toen de MIP er na enkele jaren achter kwam dat het in Nederland niet schortte aan geld maar dat er te weinig kansrijke bedrijven waren om in te participeren besloot ze met instemming van de Tweede Kamer haar succes in de USA te beproeven. Te hoog gespannen verwachtingen resulteerden hier ook in een teleurstelling. De les van de MIP leert ons dan ook dat Nederland te klein is om bedragen ter grootte van achthonderd miljoen zinvol te investeren.

Ondernemen is in Nederland een moeilijk proces. Toch zijn het de ondernemers die werkgelegenheid scheppen en alle sociale voorzieningen in stand houden. Met de crisis in het Nederlandse bedrijfsleven is nu het moment aangebroken om vernieuwing door te voeren. Wie later een gezond bedrijfsleven wil hebben moet nu zorgen voor een vruchtbare voedingsbodem. Voor een klimaat waarin veel nieuwe bedrijven kunnen starten en bestaande bedrijven kunnen groeien. Het is aan de huidige en komende regering om met een nieuw industriebeleid, gericht op startend en groeiend ondernemerschap, de basis te leggen voor de toekomst.