De Tarn

Aan de bovenloop van de Tarn: koele bochten in een smachtende vlakte. Zo stil is het riviertje hier, dat je je best moet doen om het te horen. Een ademloze fluistering, de naklank van het bidden in een lege katholieke kerk.

De ruimte en de rust, de helderheid. Het water groen, de aarde geel, de hemel blauw. Dit alles even transparant. Alsof zojuist een licht is opgegaan.

En we hebben maar twee uur hoeven lopen. Maar twee uur lopen naar het paradijs. Wie had dat ooit gedacht.

In het zand tussen de struiken op de oever, uit de wind en in de zon. We trekken onze schoenen uit, en onze sokken ook. We halen onze rugzak leeg, wat brood, wat fruit, wat schapekaas, de thermosfles met thee.

De tijd vergaat al net zo gladgestreken als de Tarn en na verloop ervan vloeien alle moeilijkheden van het leven samen tot maar één: ogen open, ogen dicht.

Ogen open, zou je zeggen. Je weet maar nooit. De iriserende flits van een ijsvogeltje boven het water, het witte gewapper van een slangenarend boven de horizon. Zou je toch niet willen missen, wel?

Aan de andere kant: ijsvogeltje of slangenarend, hún maakt het niet uit hoe ze worden gezien. Je kunt ze je verbeelden. Je kunt ze dromen. Des te beter met je ogen dicht.

Nee, ik sluit niet uit dat we daar in slaap zijn gevallen.