De schaamteloze praktijk van het wegpromoveren in Luxemburg

Sinds de vermenging van de verschillende nationale politieke culturen in het gemeenschappelijke Europees circuit zijn opmerkelijke formele verschillen in de status van de Europarlementariërs in de diverse lidstaten zichtbaar geworden.

Al een aantal jaren zijn praktijken het Europees Parlement binnengeslopen die in Noordeuropese ogen dubieus zijn. Dit geldt op een aantal punten voor de positie van de leden van het Europees Parlement en verder in het benoemings- en personeelsbeleid voor de ambtenaren in het algemene secretariaat van het parlement en de medewerkers van de fracties.

Ten aanzien van de parlementariërs valt de zogenoemde parlementaire onschendbaarheid of immuniteit het meest in het oog. De immuniteit vindt haar voorsprong in een periode waarin oppositionele politici door de regeringspartijen gemakkelijk via het strafrecht gentimideerd konden worden. Om dergelijk misbruik van strafrecht tegen te gaan wordt aan de gekozen volksvertegenwoordigers immuniteit geboden tegen elke vorm van strafvervolging voor handelingen, die in ruime zin in verband staan met hun activiteiten als volksvertegenwoordiger. Deze immuniteit kan alleen door vaak zware procedures opgeheven worden alvorens het strafrecht geactiveerd kan worden. In Nederland is de immuniteit automatisch opgeheven bij constatering van een eenvoudige overtreding.

Aanvragen uit de lidstaten, ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek, voor de opheffing van immuniteit, worden vaak al in een vroeg stadium simpel onder het tapijt gewerkt. Komt het desondanks zover dat er in het Parlement over zo'n zaak wordt gestemd, dan wordt zelden of nooit de immuniteit ook werkelijk opgeheven, omdat het niet strookt met de politieke belangen van de fracties. Het overkomt immers alle fracties, zowel de grote als de kleine, met enige regelmaat, zeker sinds de operatie Schone Handen in Italië zich als een olievlek over Europa verspreidt.

De immuniteitsregel leidt tot soms nogal komisch aandoende smeekbeden van leden om die onschendbaarheid vooral wèl op te heffen, om voor de rechter hun onschuld te mogen bewijzen.

In het personeelsbeleid van het Europees Parlement zijn het de praktijken van de puur politieke benoemingen en de vele toegestane dubieuze nevenfuncties, die verbazing blijven wekken. Zelfs de secretaris-generaal Enrico Vinci gaf in een recent rapport toe dat het carrièrebeleid voor de ambtenaren van het Europees Parlement in de hoogste rangen “niet altijd alleen genspireerd lijkt te zijn door de zorg om de posten met verantwoordelijkheid voor de geschiksten te reserveren.”

Een tweede opvallend fenomeen is de wijdverbreide praktijk om voor medewerkers van de fracties, die om wat voor reden dan ook boventallig zijn en geloosd dienen te worden, comfortabele posities te creëren. Die praktijken blijken ook al niet beneden de waardigheid van CDA en PvdA te zijn.

Afgaande op de prognoses in heel Europa zal de socialistische fractie heel wat boventalligen uit haar staf "onder moeten brengen' vóór de volgende Europese verkiezingen. Het verschijnsel wegpromoveren is ook in de nationale politiek bekend, maar de brutaliteit, waarmee het in Luxemburg gebeurt is naar vaderlandse verhoudingen schaamteloos.

Om een halt toe te roepen aan enkele ontwikkelingen in het Europees parlement is het noodzakelijk maatregelen te nemen.Ten eerste dient de procedure voor de opheffing van de immuniteit uit de politieke sfeer gehaald te worden. In plaats daarvan moeten er criteria komen, waardoor de immuniteit automatisch wordt opgeheven, een en ander vanzelfsprekend omgeven met waarborgen voor de rechtszekerheid van de parlementariërs.

Het statuut voor de ambtelijke en politieke medewerkers moet herzien worden zodat cliëntelisme en andere vormen van puur politieke benoemingen tegengegaan worden. Duidelijke incompatibiliteiten voor ambtelijke en politieke medewerkers horen aan het statuut te worden toegevoegd.

Voor een aanpak van de corruptie door het bedrijfsleven, dienen er duidelijk Europese richtlijnen met anti-corruptiebedingen in het leven te worden geroepen.

Het lijkt mij logisch dat bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan corruptie, worden uitgesloten van deelname aan openbare aanbestedingen en van contracten waarbij de werkzaamheden (deels) worden betaald uit Europese fondsen.

Met deze maatregelen is het mogelijk te voorkomen dat de sfeer die er in de lidstaten heerst om corruptie en cliëntelisme hard aan te pakken er juist toe leidt dat het zich verplaatst van de lidstaten naar het Europees niveau.