De Ludlum paranoia

James Bond was de favoriete geheim agent van John F. Kennedy, Ronald Reagan las met overgave de werken van Tom Clancy (waarin telkens de Derde Wereldoorlog dreigt uit te breken) en Bill Clinton bekende zich onlangs tot Robert Ludlum. Global conspiracies hebben de voorkeur in het Witte Huis.

Ludlums complotten zijn immer wereldwijd. Niet één of twee inlichtingendiensten, alle inlichtingendiensten zijn van de partij. En wanneer de bestaande niet toereikend zijn, verzint hij er wel een paar bij. De boeken lopen over van Zwitserse bankrekeningen (aan geld is nimmer gebrek), met de nieuwste elektronica beveiligde uitvalsbases van internationale terroristen (in De Scorpio obsessie - zijn zeventiende en jongste roman - zelfs een compleet eiland, gecamoufleerd met kunststof palmbomen die wijken voor landende helikopters) en geweld, buitensporig veel geweld: van man-tot-man gevechten tot en met het opblazen van alles wat rijdt, vaart of vliegt.

Ludlum was even in Nederland voor de promotie van De Scorpio obsessie. Niet dat er nog veel te promoten valt: Ludlum bereikte tot nu een oplage van 195.000.000 exemplaren: een gemiddelde oplage van 12.187.500 per titel en een gemiddelde verkoop van ruim 18 boeken per minuut.

Geen wonder dat de man stralend handen schudt. Robert Ludlum is een vriendelijk ogende, weinig opvallende heer. Er wordt dan ook van hem gezegd dat hij te aardig is om ooit spion geweest te kunnen zijn, iets waarvan hij ooit werd beschuldigd. Over zijn vermeende gouden formule zegt hij: “Ik heb geen formule, afgezien van de titels”. Die titels volgen altijd het schema: lidwoord, naam, zelfstandig naamwoord. De enige verklaring die hij zelf heeft voor zijn enorme succes is zijn doorgeschoten paranoia. “No big deal. Wanneer je onder het McCarthy-systeem hebt moeten werken en zelfs wanneer je alleen maar ouder wordt, word je vanzelf paranode.”

Behalve over zijn succes maakt Ludlum zich ook vrolijk over zijn critici. Niet over hen die hem niet serieus nemen, maar over degenen die hem te serieus nemen. “Er heerst een groot misverstand. Ik maak me over veel dingen boos en ik schrijf over dingen die me boos maken, maar het is niet zo dat ik over iets dat me boos maakt schrijf omdat het me boos maakt. Die boosheid is slechts een uitgangspunt, niet minder maar vooral niet meer. De rest is fantasie. What if..? Dat achteraf blijkt dat er veel waars in zit, is des te erger voor de werkelijkheid.”

Feit is dat de tijd de ruimte tussen zijn boosheid en zijn paranoia soms moeiteloos opvult. In De Scarlatti erfenis (zijn debuut uit 1971) omschreef hij FBI-directeur J. Edgar Hoover als een chanteerbare homoseksueel die uit de weg geruimd werd. Onlangs verscheen een biografie van Anthony Summers over Hoover, waarin de ex-FBI-chef wordt neergezet als een verwijfde homoseksueel die graag in vrouwenkleren rondliep en zo chanteerbaar was dat hij lange tijd zelfs maar het bestaan van zoiets als georganiseerde misdaad ontkende. Ludlum toont zich even verbaasd als geëerd over de tientallen verwijzingen in de biografie naar zijn roman.

Niet elk plot zal even gauw door de werkelijkheid worden ingehaald. Of ooit uitkomt dat niet Christus maar een stand-in werd gekruisigd zoals in De Fontini strijders, blijft natuurlijk nog maar de vraag. Maar dat neemt niet weg dat Ludlum doorgaans weet waar hij het over heeft. In De Icarus intrige bespioneert de CIA Amerikaanse burgers, een tot dan toe tamelijk onwaarschijnlijk gegeven, want daarvoor was immers de FBI verantwoordelijk. Maar nadat het boek was verschenen, werd bekend dat de CIA wel degelijk buiten haar boekje ging. Ludlum relativeert: “Het enige wat ik deed was speculeren op geruchten die de ronde deden. Dat die pas later bewaarheid werden, komt eenvoudig omdat ik niets hoef te bewijzen.”

In De Icarus intrige voeren hoge Amerikaanse politici bovendien in het Midden-Oosten geheime onderhandelingen met Arabische wapenhandelaars. Een typisch Ludlum-plot, dacht iedereen. Totdat het Iran/contras-schandaal een feit was.

De voormalige minister van defensie Caspar Weinberger is een van de critici die de schrijver te serieus nemen. Ludlum: “Weinberger recenseerde Het Jason dubbelspel. Hij schreef dat het boek zo populair was, omdat de lezers dachten dat dit de manier was waarop de Amerikaanse regering zaken deed en de manier waarop haar medewerkers spraken. De Iran/contras-hoorzittingen lieten later zien dat de wijze waarop mijn personages praten, exact zoals de werkelijkheid is. Kennelijk voelde Weinberger zich geroepen iets te ontkennen wat officieel niet bestond.”

Ludlum staat bekend om zijn uitvoerige research. Wanneer de lokatie van een verhaal vaststaat, reist hij er naar toe en maakt enorme hoeveelheden foto's - “Ik heb de grootste collectie lelijke foto's” - en notities. Maar ook dat moet niet overdreven worden, vindt hij. “Een van mijn boeken, ik kan even niet op de titel komen, speelt in Nederland. Voor informatie over dit land had ik mij tot de Nederlandse consul gewend met een lijst met vragen. Daar moeten ze dagen druk mee zijn geweest. Op een gegeven moment werd ik gebeld door de Nederlandse vertaler (Frans Bruning), die haast had omdat de Nederlandse vertaling eerder in de winkels moest liggen dan de Engelse pocketuitgave. Maar ook weer niet zoveel haast dat hij alle fouten wilde laten staan. Zo deugde van het spoornet in mijn boek weinig meer. Stations waren opgeheven, andere waren erbij gekomen en mijn held maakte onnodig veel kilometers.

“Een deel van De Scorpio obsessie speelt ook in Nederland, in Amsterdam, maar dit is mijn eerste bezoek aan de stad. Ik heb een groot aantal reisgidsen en ik laat het zich allemaal afspelen binnen de grachtengordel, want daar verandert toch weinig. Ik doe veel research, maar altijd minder dan de critici denken.”

Clinton is overigens gewaarschuwd: in De Scorpio obsessie is een beeldschone terroriste erop uit zijn ambtstermijn te bekorten.