Burger buitenspel

Frankrijk stapt niet bepaald juichend het nieuwe Europa binnen. Als het even kan, wil de Franse regering terugkomen op de moeizaam bereikte landbouwafspraken tussen de VS en de Europese Commissie. Afspraken die de sleutel zijn tot het succesvol afronden van de onderhandelingen voor een vrijere wereldhandel. Maar niet alleen bij de landbouw zetten de Fransen de voet dwars. Ook op het monetaire vlak gaat het niet van harte. Dit voorjaar is de onafhankelijkheid van de Franse centrale bank, de Banque de France, in het geding.

Artikel 107 van het Verdrag van Maastricht eist dat het stelsel van Europese centrale banken dat te zijner tijd het Europese geldbeleid vorm zal geven, absoluut onafhankelijk is. Dit stelsel mag geen aanwijzingen vragen of ontvangen van de instellingen van de Gemeenschap, van de regeringen van de lidstaten of van enig ander orgaan. In de tussentijd moeten de lidstaten waar de centrale bank nog ondergeschikt is aan de regering (Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk bij voorbeeld) ervoor zorgen dat die afhankelijkheid ophoudt te bestaan.

In ons land is De Nederlandsche Bank (DNB) in feite onafhankelijk. Maar formeel kan de minister van financiën, als hij dat nodig vindt, de president van de bank een aanwijzing geven. Daarvoor moet hij dan wel eerst de Bankraad - een gezelschap van wijze personen - hebben gehoord. Zo'n aanwijzing is nog nooit gegeven en de huidige president, Wim Duisenberg, heeft ooit eens in een interview laten weten dat een aanwijzing voor hem reden zou zijn op te stappen.

Het verst gaat men in Duitsland, waar de Bundesbank volstrekt baas in eigen buidel is. Naar dat model zal het stelsel van Europese centrale banken worden ingericht. Voor de Fransen is dat even flink slikken. We herinneren ons het urenlange vraaggesprek met president Mitterrand aan de vooravond van het Franse oui ou non Mastritch. De president had zijn handen vol aan het verdedigen van zoiets ondemocratisch als een centrale bank die niet door de volksvertegenwoordiging kan worden gecontroleerd. Het politieke bezwaar is duidelijk. Maak je de centrale bank autonoom, dan worden het rentebeleid en het verruimen en verkrappen van de geldhoeveelheid het exclusieve terrein van bankiers; beleidsmakers die voor hun handelingen geen verantwoording hoeven af te leggen.

Fransen kunnen behoorlijk opgewonden raken als aan hun democratische grondrechten wordt geknabbeld. Ze huiveren bij de herinnering aan de tijd dat de Banque nog niet was genationaliseerd (dat gebeurde in 1945) en ze werd bestuurd door tweehonderd aandeelhouders (tot 1936). Een parlementariër schrijft dat deze "onafhankelijkheid' erop neerkomt dat een groepje technocraten een ongekende macht krijgt toebedeeld, waarmee ze de ernstigste crises kunnen veroorzaken zonder dat ze zich tegenover wie dan ook hoeven te verantwoorden. Een commentator in Le Monde Diplomatique vraagt zich af - niet zonder demagogie - wat we zouden vinden van een even "onafhankelijk' leger, dat los van het ministerie van defensie zou opereren.

Met of zonder demagogie en opwinding: de politieke bezwaren liegen er niet om. Inderdaad wordt een wezenlijk deel van het economisch en financieel beleid onttrokken aan parlementaire controle. Daarvoor moeten wel heel zwaar wegende argumenten bestaan. Welke zijn dat eigenlijk?

Het verlagen van de rente en het gemakkelijker beschikbaar stellen van krediet kan een kwakkelende economie een oppepper geven. Consumenten die goedkoper geld kunnen lenen, vergroten hun aankopen. Ondernemers laten meer fabrieken bouwen en breiden hun machinepark uit. Bij zo'n opleving van de economie ontstaan nieuwe banen. Voor een regering die graag wil worden herkozen is dit scheppen van werkgelegenheid een heel belangrijk punt. Werklozen zijn immers ontevreden kiezers die zo goed als zeker hun stem aan de oppositie zullen geven. De verleiding is dan ook groot om, zeker als de verkiezingen in zicht zijn, royaal krediet ter beschikking te stellen. Vaak zo royaal dat er meer geld in omloop komt dan de economie kan verwerken. Met prijsinflatie als gevolg. De stijgende prijzen hollen de koopkracht van de werknemers uit. Er volgen looneisen, de hogere loonkosten worden weer in de verkoopprijzen verwerkt. Na een tijdje komt de concurrentiepositie van het land in gevaar. Het prijst zich uit de markt. Het krijgt een tekort in het handelsverkeer. En als de internationale reserves van het land opraken, steekt het gerucht dat men moet devalueren de kop op. Het vertrouwen in het land krijgt een deuk. De valuta wordt als zwak bestempeld. Om in die situatie nog te kunnen lenen op de internationale geldmarkten, moet je een hoge rente bieden om bij de uitlener het gebrek aan vertrouwen en het wisselkoersrisico te overbruggen. Het resultaat is dan: in het begin meer banen, maar die staan al snel op de tocht als prijsinflatie de kop opsteekt, de munt moet devalueren en de rente omhoog moet.

Wie pleit voor een autonome centrale bank, gaat ervan uit dat je het kredietbeheer beter in handen kunt geven van lieden die niet van de gunst van de kiezer afhankelijk zijn. Die kunnen dan naar hun beste financiële en economische inzichten de krediethoeveelheid aanpassen aan de behoefte zoals zij die zien. In het dilemma "banen scheppen en desnoods wat geldontwaarding riskeren' en "prijsinflatie voorkómen en desnoods wat werkloosheid aanvaarden' kiezen bankiers voor het laatste. Een centrale bank heeft ook als eerste zorg het prijsniveau stabiel te houden en het vertrouwen in de nationale munt te bevorderen.

Hoe dit tot grote spanningen tussen regering en bank kan leiden, laat het Duitse voorbeeld van de laatste maanden zien. Regering, werkgevers- en werknemersorganisaties en ook buitenlandse regeringen smeekten de Buba de rente te verlagen. Dat zou de ingezakte Duitse economie een positieve impuls geven. Het heeft maanden geduurd voordat de eerste renteverlaging afkwam.

Centrale bankiers zijn niet uit op een werkgelegenheidssucces van korte duur. Ze streven naar langdurig internationaal vertrouwen in de valuta. Als op de internationale geldmarkten het risico van geldontwaarding en van devaluatie van een munt laag wordt geschat, nemen de uitleners genoegen met een lage rente. Het is een delicaat spel dat om geduld en een lange tijdhorizon vraagt. De politiek en de kiezer hebben die niet. Daarom is het begrijpelijk dat voor een onafhankelijke centrale bank wordt gepleit. Maar aan de andere kant blijft het toch wat bedenkelijk dat je een deel van het beleid, om het te kunnen laten slagen, aan de beoordeling van de burgers moet onttrekken. De discussie in Frankrijk brengt dit nog eens onder onze aandacht.