BUREAUCRATIE

“Als men in Van Dale reeds negatief praat over het begrip bureaucratie, welk bezwaar kan een wetenschapper dan nog hier tegen maken?”, zo vraagt A.D.H. Simonsz zich af in NRC Handelsblad van 19 april. Het is Simonsz niet zo zeer om het "begrip' bureaucratie te doen, maar meer om het "verschijnsel'. Volgens Simonsz zijn wetenschappelijke vermaningen over dit verschijnsel op dit ogenblik zinloos. “Want we hebben nu eenmaal te maken met een heerschappij van ambtenaren.” Maar juist daarmee toont Simonsz aan dat hier voor de wetenschap wel degelijk een taak is weggelegd.

Simonsz ondersteunt zijn opvatting over het bestuursapparaat met het (verre) verleden. Maar een analyse van recenter wetenschappelijk onderzoek door bijvoorbeeld de Amerikaanse bestuurskundige Goodsell (The Case for Bureaucracy, 1985) alsmede een omvangrijk Nederlands onderzoek onder ruim 3000 burgers (Lokale democratie en bestuurlijke vernieuwing, 1990) vertonen een opmerkelijk afwijkend beeld van de ambtenarij. Beide onderzoeken constateren een groot gat tussen opinie-oordelen van burgers over het ambtelijk apparaat en ervaringsoordelen. Gevraagd naar hun mening over de ambtelijke organisatie "in het algemeen' bevestigt men het beeld zoals dat door Simonsz wordt geschetst. Maar gevraagd naar hun concrete ervaringen met ambtelijke diensten antwoordt men erg positief. De burger toont zich tevreden met de door een gemeenteambtenaar verleende diensten. Het imago van het bestuur mag dan misschien niet onverdeeld positief zijn, maar dat is slechts het imago: de werkelijkheid is anders.