Biotechnologie is mooi, maar lang niet alles

Gevraagd naar hun oordeel over biotechnologie reageren Nederlanders gemiddeld vrij negatief, zo blijkt uit allerlei onderzoek. Als echter gevraagd wordt naar het oordeel over concrete toepassingen van biotechnologie, dan is het beeld aanzienlijk genuanceerder. Sommige toepassingen worden zelfs uitermate positief beoordeeld. Dat blijkt uit de resultaten van een nog niet gepubliceerd onderzoek van de Technische Universiteit Eindhoven onder een representatieve steekproef van 595 mensen.

Ruim negentig procent van de ondervraagden oordeelt tamelijk tot zeer positief over het gebruik van bacteriën voor het maken van afbreekbare plastics. Rond driekwart van hen oordeelt tevens behoorlijk positief over het gebruik van genetische technieken voor respectievelijk het kweken van nieuwe koolsoorten en het verbeteren van de houdbaarheid en hardheid van tomaten.

Ronduit negatief zijn de ondervraagden over het gebruik van moderne biologisch technieken in de veehouderij. Een kleine zestig procent vindt het klonen van runder-embryo's voor het fokken van kalveren met gelijke kwaliteit (inmiddels een bekende techniek) een slechte zaak. Datzelfde geldt voor het langs de weg van genetische modificatie produceren van BST, een van nature bij koeien voorkomend hormoon, waarmee de melkproduktie kan worden opgevoerd. Menselijk gen

Merkwaardig genoeg stuit het inbouwen van een menselijk gen in koeien met het doel om uierontsteking tegen te gaan op veel minder bezwaren. Op dit moment wordt er tussen voor- en tegenstanders een discussie gevoerd over stier Herman, wiens dochters de betreffende stof (lactoferrine) moeten gaan produceren. Die stof zou niet aleen helpen bij het voorkomen van uierontsteking, maar zou ook een medicijn zijn tegen diverse aandoeningen, waaronder reuma.

Zonder dat de stier Herman met zoveel woorden wordt genoemd en zonder zelfs te verwijzen naar het eventuele nut van lactoferrine voor reuma-patienten, blijkt iets meer dan de helft van de ondervraagden (52%) tamelijk tot zeer positief te staan tegenover deze toepassing.

Het onderzoek naar het oordeel van Nederlanders over toepassingen van biotechnologie is uitgevoerd door de vakgroep Psychologie en Taal in de Techniek van de TU Eindhoven. Het gebeurde in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. De bedoeling is om het onderzoek elk jaar te herhalen, zodat de houding van het publiek ten aanzien van biotechnologie in de tijd kan worden gevolgd.

Volgens een van de onderzoekers, prof.dr. Cees Midden van de TU Eindhoven, mogen we uit de resultaten concluderen dat het Nederlandse publiek vrij open staat tegenover de biotechnologie. Een onbevangenheid die overigens gepaard gaat met een groot gebrek aan kennis. Midden: "In het oordeel spelen emoties een grote rol onder andere als het gaat om eventuele risico's voor gezondheid en milieu en om ethische aspecten. Anders dan bijvoorbeeld bij nucleaire techologie is er echter nog geen sprake van polarisatie van standpunten. Als gevolg daarvan kun je ook nog niet spreken van een vertrouwenscrisis, zoals bij kernenergie.'

In het Eindhovens onderzoek is geprobeerd om het begrip biotechnologie, een complex van technieken en produkten, te vertalen in zo concreet mogelijke toepassingen. Daartoe hebben de onderzoekers (naast Midden waren dat Wim Heijs en Ruud Drabbe) eerst een inventarisatie gemaakt van veertig mogelijke en soms al feitelijke toepassingen. Deze werden zodanig beschreven dat de ondervraagde eruit kon aflezen of het ging om een traditionele of een nieuwe toepassing. Verder kon je uit de beschrijving afleiden welke techniek werd gebruikt en of het object een mens, dier of plant was. Ten slotte moest de beschrijving informatie geven over de vraag wat precies het eindprodukt dan wel het doel van de betreffende toepassing is. Muilezel

De veertig toepassingen, waaronder ook "het kruisen van een paard en een ezel' (al eeuwen gebruikelijk; het resultaat is een muilezel) werden in een vooronderzoek ter beoordeling voorgelegd aan een computerpanel van ruim 400 personen. De muilezel werd overigens negatief beoordeeld in het vooronderzoek.

Uit de resultaten van het vooronderzoek werd met behulp van statistische technieken (cluster-analyse) een aantal waarderingspatronen afgeleid. Met andere woorden; is er verband tussen het oordeel dat mensen hebben over de en toepassing en het oordeel over een andcere toepassing. Die verbanden bleken er inderdaad te zijn. Op basis daarvan konden de onderzoekers negen groepen van toepassingen onderscheiden. Uit elk van die hoofdgroepen werd een concrete toepassing gekozen, die tijdens het hoofdonderzoek aan een nieuwe groep respondenten werd voorgelegd (zie tabel).

Uit het Eindhovens onderzoek blijkt dat de houding van het publiek tegenover toepassingen van biotechnologie vooral wordt bepaald door emoties en minder door argumenten. De kennis over biotechnologie is vrij beperkt. De belangrijkste emoties die een rol spelen zijn enthousiasme en angst. Enthousiasme, omdat biotechnologie nieuwe mogelijkheden biedt voor milieuzorg. Zo mag het gebruik van bacteriën voor de produktie van afbreekbaar plastic op warme instemming rekenen van de respondenten. Ook denkt men dat biotechnologie positieve gevolgen heeft voor de economie, met name bij het veredelen van landbouwgewassen en in de milieuzorg.

Angstgevoelens treden vooral op bij het gebruik van biotechnologie in de veeteelt. Het rommelen met runderen roept de vrees op, dat bepaalde normatieve grenzen worden overschreden. Deze angstgevoelens doen zich vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Daarnaast zijn ouderen wat bezorgder dan jongeren. Verder zijn kiezers van CDA en VVD wat enthousiaster over toepassingen in de veeteelt, terwijl kiezers van PvdA en Groen Links wat meer angstgevoelens hebben. Onbevangen

Al met al concluderen de onderzoekers, dat het Nederlandse publiek nog vrij onbevangen staat tegenover biotechnologie. Voor de verdere ontwikkeling is het daarom, zo menen zij, van groot belang dat overheid en industrie die open opstelling van het publiek honoreren door het publiek serieus nemen. Inclusief de emoties, die een rol spelen. Hoe onterecht die ook mogen zijn in de ogen van betrokken wetenschappers.

Midden: "Deskundigen op het gebied van kernenergie hebben vaak geroepen dat de kans op een ongeval in een centrale kleiner is dan de kans dat er een meteoor valt op een stadion tijdens de finale van Europacup I. Met zulke eendimensionale redeneringen zeg je eigenlijk, dat je de angstgevoelens van het publiek niet serieus neemt. Daardoor verlies je gauw het vertrouwen. We hebben gezien waar dat toe leidt bij kernenergie. Het is belangrijk om niet dezelfde fout te maken bij de biotechnologie.'