ALGEMENE SOCIOLOGIE

L. Rademaker. Benaderingen van collectief protest. Overzicht, evaluatie en een bijdrage van de "algemene sociologie'. 260 blz. Promotie RU Leiden, 11 maart 1993. Promotor prof.dr. L. Laeyendecker.

In de jaren zeventig werd de naam Leo Rademaker een begrip in sociologisch Nederland. Als redacteur van een reeks sociologische Aula-pockets wist hij ongeveer iedereen met enige naam en faam bereid mee te werken aan drie delen Hoofdfiguren van de Sociologie, vier delen Sociologische Encyclopedie, twee delen Toegepaste Sociologie, nog eens twee delen Sociale Problemen en daarnaast nog wat klein werk.

Bij elkaar een heel aardige staalkaart van de sociologie, die ook nu in veel opzichten heel bruikbaar is als inleiding in een bepaald gebied van de sociologie of als eerste kennismaking met klassieke auteurs (zelf "deed' ik Erving Goffman en Herbert Blumer).

Leo Rademaker is nu pas gepromoveerd. In zijn proefschrift herkende ik meteen de systematiek en ordenende aanpak die ook in de Aula- pockets terug te vinden is. Rademaker is een echte encyclopedist en hij heeft ook het wat pedante dat de echte docent kenmerkt. Hij is al vele jaren in Leiden de docent sociologie voor de "keuzevakkers' en dat betekent natuurlijk altijd weer opnieuw de grondbeginselen duidelijk maken, de klassieken interpreteren en laten zien wat de sterke en zwakke kanten van de verschillende sociologische stromingen zijn. Naast zijn proefschrift heeft hij inmiddels ook nog kans gezien die ervaringen te bundelen in een nieuwe inleiding tot de sociologie.

Die heb ik nog niet gelezen, het proefschrift wel en dat was een wat onthutsende ervaring. Zou dit boek niet als proefschrift maar als leerboek gepresenteerd zijn dan had ik er zeker vrede mee gehad. Rademaker heeft veel gelezen (alleen de literatuuropgave omvat al 40 bladzijden) en hij kan goed uitleggen en samenvatten. Wie snel wil weten wat een aantal vooraanstaande sociologen over collectief protest heeft gezegd, wordt door Rademaker goed bediend, maar wie echt wat van de sociologie van het collectieve protest wil weten en nieuwsgierig is naar de bijdrage van Rademaker zelf daaraan, blijft met lege handen staan. Het boek houdt op waar het proefschrift zou moeten beginnen.

Ik had daarbij een Aha-Erlebnis. Rademaker hoort tot de generatie sociologen, die vaak al voor hun eigen afstuderen in het universitaire onderwijs werden ingezet om de vloed sociologie-studenten van het midden van de jaren zestig op te vangen. Het kon niet anders of dat leidde in veel gevallen tot een "doorgeef'-sociologie, een snel overdragen van kennis die men zelf ook nog maar net opgedaan had en in ieder geval nog niet verwerkt had. Er werd toen geen sociologie gemaakt, er werd alleen sociologie gegeven.

De andere kant heb ik zelf pas leren kennen toen ik na mijn doctoraal in Duitsland verder ging studeren. Daar werd sociologie gemaakt en de mensen die dat deden, gaven college over zaken waar ze een jaar later een artikel over zouden publiceren. Het maakte op mij diepe indruk een sociologische "hoofdfiguur' als Niklas Luhmann op college te horen zeggen dat de dictaten van vorige week ongeldig waren, omdat hij inmiddels van gedachten was veranderd. Vervolgens legde hij uit waarom en hoe hij zijn theorie had gewijzigd. Wat me het meest trof was toch de vanzelfsprekendheid waarmee sociologie niet als een door sociologen te bestuderen wereld werd beschouwd - zoals een kunsthistoricus weet dat de kunstgeschiedenis zelf geen kunst voortbrengt - maar als een door sociologen zelf geschapen en steeds weer te scheppen wereld.

We zijn nu meer dan twintig jaar verder en sociologie is allang geen modevak meer. Er staan tien psychologiestudenten tegenover iedere sociologiestudent, maar dat heeft het vak zelf geen kwaad gedaan. Empirisch en theoretisch wordt er nu meer werk gedaan dan destijds, maar over het geheel genomen is Nederland ook meer een land van veel sociologen dan van grote sociologie gebleven. De enige Nederlandse hoofdfiguren in de sociologie zijn de filosoof Erasmus en de historicus Huizinga.

Rademaker is bij uitstek een exponent van de Nederlandse "receptieve' sociologie, zoals die in de jaren zestig ontstond. Hij maakt geen sociologie, hij beheert, inventariseert, identificeert en classificeert de gedachten van anderen. In de geschiedenis van de moderne sociologie onderscheidt hij zes verschillende theoretische benaderingen van collectief protest, die in chronologische volgorde worden besproken aan de hand van steeds één exemplarische studie. We krijgen vrij veel te horen over de persoon van de auteur, het te bespreken boek wordt eens op de hand gewogen en vervolgens wordt verteld wat erin staat. Daarna volgt de belering: niet altijd worden de begrippen nauwkeurig en eenduidig omschreven, de interne consistentie laat meestal wel wat te wensen over, de empirische fundering schiet tekort en ook de theoretische betekenis blijkt soms aan twijfel onderhevig te zijn.

In een tweede ronde blijkt dan ook nog dat de meeste auteurs weinig of geen gebruik maken van het erfgoed van Weber, Durkheim en Marx, of centrale sociologische concepten als "sociaal conflict' of "sociale ongelijkheid' negeren. Sommige sociologen krijgen meteen klapjes - meestal in een zinnetje dat met ... eindigt - en één van de coryfeeën van de Franse sociologie, Alain Touraine, wordt als sociologische autodidact zonder pardon de klas uitgestuurd.

De aandacht voor collectief protest is in de sociologie de laatste decennia sterk toegenomen, aanvankelijk vooral uit verbazing over het opkomen van op het eerste gezicht spontane, nauwelijks georganiseerde en toch zeer sterke emancipatie- en protestbewegingen in het meest welvarende deel van de wereld en dan juist weer onder de in veel opzichten meer bevoorrechten. De studentenbeweging van de jaren zestig is daar natuurlijk het mooiste voorbeeld van, maar hetzelfde geldt in zekere zin ook voor de vrouwenbeweging, de milieubeweging, de homobeweging en de beweging tegen rassendiscriminatie. De sociologie had niet veel om ter verklaring of zelfs ter beschrijving op terug te vallen: de marxistische klassenstrijdthese schoot hier duidelijk tekort en de laat negentiende eeuwse massapsychologische benadering van Gustave Le Bon bood ook weinig aanknopingspunten meer.

Een grote angst voor de in beweging komende massa, voor gemakkelijk manipuleerbare en niet meer te stuiten hordes, is wat conservatieven en intellectuelen bijna de hele eerste helft van de eeuw met elkaar gemeen hebben. Het individu zou in de massa verdwijnen en het verstand door het gevoel vervangen worden. Een eerste verandering trad in met de algemene aanvaarding van de democratie als grondslag van het politieke systeem - het echte geloof in de democratie is pas na de Tweede Wereldoorlog algemeen geworden - en een tweede verandering was juist de aanvaarding van sociale verandering als onvermijdelijk en in ieder geval niet als per definitie iets verwerpelijks. Dat gebeurde pas in de jaren zestig, toen ook de sociale wetenschappen zich losmaakten van een impliciet conservatieve ideologie van het behoud van de sociale orde en zich verbonden met de ideologie van de wenselijkheid van sociale verandering, ook van door opstand of protest afgedwongen verandering.

Rademaker begint zijn studie met de massapsychologie van Le Bon en maakt dan een reuzestap - ook in de tijd - naar de "collective behavior' benadering, waarin niet meer het "kwaad' en de aanstichters daarvan centraal staan, maar veel meer gekeken wordt hoe collectief gedrag - mensen die bij elkaar komen, met elkaar praten, samen iets willen, enz. - tot stand komt en zich ontwikkelt.

Daarnaast staat een meer op de structuur en de determinanten van collectief gedrag georiënteerde benadering, terwijl pas na de opkomst van de grote sociale bewegingen van de jaren zestig opnieuw gekeken wordt naar "why men rebel' en hoe het verzet vervolgens politiek en maatschappelijk vorm krijgt. Steeds duidelijker wordt dan ook dat de moderne sociale beweging bijzonder weinig meer gemeen heeft met het idee van een ongearticuleerde massa en dat er bovendien een aanzienlijk potentieel is voor een collectief protest dat losstaat van direct eigen belang.

Het valt op dat Rademaker juist in de meer recente literatuur voor de theorie van het collectief protest - een nauwelijks omschreven begrip overigens - "mijlpalen' onderkent, die niet iedereen onmiddellijk als zodanig zijn opgevallen en ook maar beperkt van toepassing zijn op collectief protest of juist een veel bredere strekking hebben. Het geheel houdt daardoor toch iets arbitrairs. In het ruimere kader van de algemene sociologie dat Rademaker om de verschillende benaderingen van collectief protest wil plaatsen, verdwijnt dan ook nog iedere specificiteit achter een scherm van wel zeer algemene begrippen als structuur en cultuur. Ik verwacht daar weinig heil van.

De tragiek van studies als het proefschrift van Rademaker is dat ze de sociologie als een gesloten en zelfreferentieel systeem beschouwen. De vraag of iets sociologie is, wordt niet beantwoord met een verwijzing naar inhoud of strekking van het werk, maar naar afkomst. Komt het werk wel uit de academische sociologische traditie voort, is de auteur wel socioloog, wordt wel voldoende gebruik gemaakt van sociologische begrippen, kent men zijn klassieken wel?

Rademaker relativeert vervolgens zijn eigen meetlatje wel weer, maar het gevoel blijft dat de door hem besproken auteurs een streng tentamen "algemene sociologie' wordt afgenomen, waar ze dan ook maar ternauwernood voor slagen. Dat is toch een beetje de omgekeerde wereld, want zonder Le Bon, Smelser, Inglehart en zelfs Touraine zou de sociologie er anders uit zien en zou Leo Rademaker met lege handen voor zijn studenten staan.