Afkalvende industrie vraagt om fundamentele herbezinning

ROTTERDAM, 29 APRIL. Is Nederland op de industriële hitladder in Europa een sub-topper, een middenmoter of misschien zelfs wel een total loss? De aanwezige ondernemers op het VNO-congres 'Industriële strategie: fictie of visie?', kwamen er zelf niet uit.

Minister Andriessen benutte zijn toespraak tot het congres om af te rekenen met het beeld dat het slecht gaat in Nederland. Maar de bewindsman had zijn hielen nog niet gelicht om zich in de Tweede Kamer te storten in het Fokker-debat, of de eerste ironische kanttekeningen van VNO-voorzitter A.H.G. Rinnooy Kan over zoveel onverwoestbaar optimisme bij de minister, vormden de inleiding tot een homerisch gelach uit de zaal.

De bloem van ondernemend Nederland had zich gisteren verzameld in De Doelen in Rotterdam, waar Rinnooy Kan zich in zijn openingsspeech rechtstreeks keerde tegen de president van De Nederlandsche Bank Wim Duisenberg, die nauwelijks vierentwintig uur eerder bij de presentatie van het jaarverslag had geconstateerd dat voor economisch herstel loonmating dringend gewenst is.

Rinnooy Kan ziet dat allemaal wat genuanceerder. “Elk beleid dat alleen stoelt op loonkostenmatiging is tot mislukken gedoemd. Het zou bovendien irreeël zijn de huidige crisis als alleen conjunctureel te zien. Het probleem van de afkalvende industriële werkgelegenheid vraagt om een fundamentele herbezinning.”

Als president van één van de belangrijkste industriële ondernemingen in Nederland herhaalde Stork-topman J.C.M Hovers nog maar eens de klachten die hij ook bij de presentatie van de jaarcijfers van zijn eigen bedrijf al had geventileerd. Een afnemende infra-structuur, loonkosten die te hoog zijn waardoor Nederland zich uit de markt prijst, te hoge energie- en milieukosten, een gebrekkige talenkennis en de afnemende kwaliteit van het onderwijs vormen factoren die de Nederlandse industrie in toenemende mate onder druk zetten. Het aantal technische geschoolde HBO'ers en academici is in de Stork-bedrijven sinds 1970 gestegen van 11 tot 22 procent. De instroom van studenten op technische hoge scholen houdt daar bij lange na geen gelijke tred mee.

Namens Economische Zaken probeerde directeur-generaal M.C. van der Harst aan te geven dat de discussie over het industriebeleid in Nederland de laatste maanden onmiskenbaar op een hoger plan is gekomen, mede dankzij een actieve rol van de overheid. De kloof tussen fundamenteel onderzoek en de industriële praktijk is volgens hem echter nog steeds te groot. Van der Harst bekritiseerde in een afsluitende paneldiscussie enkele keren sterk de dominante rol van de banken, de kredietverschaffers die volgens hem vaak alleen maar in hun eigen centen zijn genteresseerd, waarbij de geldkraan bij ontluikende industriële projecten te pas en te onpas kan worden dichtgedraaid.

Dit vormde het moment voor C. Maas van de ING-bank om in te haken. Hij schetste het beeld van het bankwezen in Nederland dat de industriële bedrijvigheid een warm hart toedraagt. “Bovendien, wij lopen ook risico. DAF, 130 miljoen. Dat geld is weg. Iedereen praat wel over de stroppenpotten, maar daaraan wordt ook geld onttrokken. Bovendien kan iedereen uitrekenen hoeveel daar in zit.” “Zegt u dat dan eens”, probeerde panelvoorzitter Joop van Tijn. “Dat kunt u zelf uitrekenen” , vond Maas.

Industriebeleid gaat ook om andere zaken dan puur financiële, onderstreepte Nedcar-president F.W. Sevenstern. Hij concludeerde: “Beleid heeft natuurlijk ook te maken met een stukje eigen creativiteit. We werken nu anderhalf jaar samen met Japanners, die leggen ons op een simpele manier uit dat je gereedschappen ook anders kunt gebruiken dan je gewend bent. In de trant van: "Heb je daar wel eens aan gedacht?' Dat werkt erg verfrissend.”