Zelfportretten tonen onverhuld hoe Kees Timmer zichzelf onder handen nam; Kijk goed en hoor de schilder vloeken

Tentoonstelling: Kees Timmer. T/m 23 mei in Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. Geopend: di. t/m za. 10-17 uur, zo. 11-17 uur. Catalogus: ƒ 32,50. Hommage aan Anna Verwey-Verschure; tot half mei

Was het anders met Kees Timmer afgelopen als hij grotere, meer opzichtige schilderijen had gemaakt? Of als hij zichzelf beter had weten te verkopen? Had hij met foto's van zijn werk Amsterdamse galerieën moeten aflopen om bekendheid te krijgen, meer bekendheid dan in een enkele Rotterdamse wijk? En zou Timmer daar veel waarde aan hebben gehecht, aan die zelf-promotie?

Dankzij zijn zelfportretten, nu tentoongesteld in Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam, weten we meteen het antwoord op al die vragen: Nee. Want Kees Timmer (1903-1978) was een lastige, knorrige man, vol wantrouwen, cynisch zelfs, en tegen de 'boze wereld', die hij met weinig illusies maar met subtiele humor bejegende. Hij was al aardig op leeftijd toen hij zichzelf onverhuld onder handen nam. De ene keer met een boeventronie, die aan de onverbiddelijke Rotterdamse deurwaarder Dreverhaven uit F. Bordewijks roman Karakter doet denken. Elders met een stoppelig zwervershoofd, waarin dankzij een schijnbare nevel van alcohol alle besef is opgelost in oranje en grijze verfstriemen. In dat druilerige hoofd van hem dobberen dan alleen nog twee witte reddingsboeien: twee ogen die weinig lieten ontsnappen. Als ze eenmaal beet hadden, drongen ze meteen door tot dat wat er echt toe deed.

“Sommigen hebben een heel schildersleven nodig om iets te leren”, zei Timmer dertig jaar geleden in een vraaggesprek, “anderen schijnbaar alleen maar een fles drank. Als je 58 bent realiseer je je wat je bent en wat niet. Mijn schilderijen zijn de conclusie daaruit.” Timmer, geboren in Zaandam, had als laatbloeier toen allang de avondlessen op de Rotterdamse academie achter de rug, maakte her en der in de stad een wandschildering en zou later bekroond worden met de Hendrik Chabot-prijs van de gemeente Rotterdam en met twee tentoonstellingen in datzelfde Boymans-van Beuningen.

Boymans-conservator Jeroen Giltaij schrijft het al in de bescheiden catalogus, die bij de huidige hommage is verschenen: de Rotterdamse schilder Kees Timmer laat zich niet plaatsen in de kunstgeschiedenis. Inderdaad, hij stond er pal naast en het zal hem een zorg geweest zijn. Hij beperkte zich tot een innerlijke oase, bevolkt met de semi-wilde dieren die hij op een reis door het Krugerpark in Zuid-Afrika was tegengekomen; tot de bedelaars, stompen van mensen die hij in Pretoria had gezien; tot de meer nabije waarnemingen die zich in zijn hoofd hadden vastgepind, zoals een horizon in avondlicht, gezien vanuit zijn 'tuintje', of een bezoek aan een grauw verpleeghuis, waar afgaande op de scherpe neuzen en kinnen van de zieken, alleen nog maar gestorven wordt.

Uit die incidenten en herinneringen zijn figuratieve, overwegend grijze schilderijen ontstaan, waarin een enkel rood, roze of blauw vlak hoopvol oplicht. Wat er niet toe deed, zien we niet. Om het oog te behagen werden geen concessies gedaan. Door die stilistische vereenvoudiging balanceren sommige doeken wel eens op het randje van de karikatuur, maar ze worden van die val gered door de weerbarstige, soms schrale manier van schilderen, de kale en originele compositie en de "onheilspellende diepte', zoals Timmer-bewonderaar Gerard Reve in de catalogus schrijft.

Timmer zelf zou het weliswaar niet graag gelezen hebben - hij wilde niet dat zijn dierendoeken op de voorgrond traden - maar juist die beesten van hem zijn zo schitterend. Ze hebben zich in hun kooien akelig aan de mensensoort aangepast. Een mandril met de huid van een ouderwets, zwart-groen kasboek wacht met smiechtige oogjes het moment af om wraak te kunnen nemen op zijn voyeurs. Zwarte tijgers, gevlekte jaguars en cheetahs hebben geleerd zich als schoothondjes voor te doen, maar diep onder die soepele huid brult nog steeds het verlangen naar de steppen. Er komt een dag dat hun geduld opraakt. En die hyenahond die de museumzaal in staart, lijdt aan dezelfde vervaarlijke achterdocht als Timmer in zijn zelfportretten.

Verder hangt er nog een serie honden, waarmee, aldus de titels, gepocht werd op 'dog shows'. De zuinige dametjes die daar met hun huisdieren paradeerden moet Timmer intens gehaat hebben, en het mededogen dat hij met de honden had, liet zich nauwelijks met een penseel vertalen. Zelden is zoveel zieligheid in zulke onooglijke beestjes op zo'n kleine verfoppervlakte te zien geweeest. Wie goed kijkt, hoort de schilder vloeken.

De tekeningen, aquarellen en ontwerpen voor wandschilderingen heeft Museum Boymans achterwege gelaten. Een wat gemakzuchtig eerbetoon, voor zover dat woord hier op zijn plaats is. En dat geldt ook voor die "hommage' aan Anna Verwey-Verschure (1935-1980), een andere Rotterdamse kunstenares, die even terloops in een tussenzaaltje met nog veel minder werken onder de aandacht wordt gebracht, terwijl ze als een Rosemarie Trockel-avant-la-lettre met summiere materialen persoonlijk, ontroerend werk wist te maken. Naarmate de tijd verstrijkt lijkt het alleen maar aan zeggingskracht te winnen. Waarom is trouwens dat massieve, raam- en deurloze bakstenen huisje, dat naar haar ontwerp met wilde wingerd overwoekerd moest raken, nooit ergens in de stad gerealiseerd? Biedt het nieuwe museumpark daar geen ruimte voor?

Een gemeentelijk museum mag best met een aantal van zijn stedelijke kunstenaars opscheppen, temeer omdat ze daarvoor zelf de tijd niet namen of niet kregen. Boymans doet dat inderdaad, maar zelden uitbundig.