Vos & wolf

De avond valt. Ik heb wat hout gesprokkeld. Ik gebruik mijn broekriem om er een bundel van te maken. We hebben hier een open haard. Open haard is een knusse uitdrukking voor een onafzienbare bosbrand.

Ik hang de takkenbos op mijn rug en begin om de heuvel heen naar huis te lopen. In deze kromme, bijna middeleeuwse schikking word ik een vos gewaar.

Met zijn neus aan de grond werkt hij een weilandje af. Ontspannen gaat hij heen en weer. Een uitval nu en dan. Wat snel gegraaf en dan van hap, kauw, slik. Op zeker moment bungelt er een kleinigheid aan zijn mondhoek. Het staartje van een muis misschien. Of doodgewoon een regenworm. De vos. Hij leeft. Niet groots, maar toch.

De wolf kom je in de Cevennen uitsluitend op affiches tegen. Komt allen naar het wolvenpark in Sainte Lucie! Hij staat er indrukwekkend op, de wolf op die affiches. Zo doen wij dat. Wij koesteren bewondering voor wat we hebben uitgeroeid. Daar maken wij attracties van.

Ik moet erlangs. Ik kuch. De vos kijkt op. Een spitse snuit met veel meer wit dan rood.

Ik zie geen schuwheid in zijn blik, ik zie er gêne in. Wat jammer nou, een mens. Alsof het pijnlijk is dat ik daar sta.

Het drafje van een vos, de sierlijkheid ten voeten uit. Hij neemt zichzelf onder de arm. Gaat weg.