Van Mierlo verloor zijn troostprijs na rapport commissie-De Koning

Wie ooit het systeem wilde laten ontploffen en dan nu na ruim een kwart eeuw door enkele bijna technische aanpassingen een "bijgesteld bestel' als uiterste mogelijkheid krijgt gepresenteerd, kan niet echt gelukkig zijn. Dat is D66-fractievoorzitter Van Mierlo dan ook niet. Het gisteren gepresenteerde rapport van de commissie-De Koning over een nieuw kiestelsel maakt een eind aan alle illusies dat het misschien toch nog wel wat zou worden met de door Van Mierlo zo vurig gewenste staatsrechtelijke en bestuurlijke vernieuwing in Nederland. Hij staat weer helemaal alleen.

De D66-leider kreeg eind 1989 zijn commissie die onderzoek ging verrichten naar kwaliteitsverbetering van het openbaar bestuur en de parlementaire democratie. Alom werd de naar zijn voorzitter genoemde commissie-Deetman beschouwd als pleister op de wonde voor Van Mierlo wiens partij dat najaar bij de kabinetsformatie zo hardhandig buiten spel was gezet. Een jaar later kwam de commissie zowaar met een notitie waarin niet zozeer de stellingnames opvielen als wel de kritische analyse over het functioneren van de parlementaire democratie. Vraagpunten werden voor verdere uitwerking doorverwezen naar externe commissies. Van Mierlo toonde zich een tevreden mens. Veel was het niet, maar onderwerp staatkundige verandering stond weer op de agenda, de vrijblijvendheid was verdwenen. “Er lag een taboe over, het was afgeschermd, het was dood. En dat is het nu niet meer”, aldus Van Mierlo toen. Maar na het rapport van de commissie-Van Thijn van vorige maand over de gekozen burgemeester (niet doen) en het rapport van De Koning over een ander kiestelsel (niet doen) resteert er maar één conclusie: de troostprijs voor Van Mierlo is alsnog een fopspeen gebleken.

Dat de commissie-De Koning met als leden nogal wat politici van vroeger, de ideeën van D66 over de gekozen minister-president en het districtenstelsel niet direct zou omarmen, was eigenlijk van het begin af aan te voorzien. Van Mierlo wist dat ook. Niet voor niets had hij het indertijd over de langzame weg van de overtuiging. Maar met haar rapport van gisteren is de commissie-De Koning weer de weg terug ingeslagen. Eigenlijk wordt het kleed onder het eerdere werkstuk van Deetman weggetrokken. Want behalve dat de commisssie in meerderheid weinig tot niets voelt voor de eertijds aangedragen “mogelijke oplossingsrichtingen” wordt ook nog eens afgerekend met de “pertinente analyse” van Deetman. Illustratief voor de gereserveerde houding van de commissie is de passage direct al aan het begin van het rapport: “Volgens deze analyse (die van Deetman, M.K.) zou in Nederland sprake zijn van een legitimiteits -en een kwaliteitscrisis van politiek en bestuur. Dit wijst in de richting van forse ingrepen/vernieuwingen. Aux grands maux les grands remèdes! Bij een gematigder diagnose zal de lust veel overhoop te halen navenant kleiner zijn”.

Niet verwonderlijk dat na een dergelijke inleiding de commissie (vanzelfsprekend met uitzondering van het aan D66 gelieerde lid) ook voor die gematigde diagnose kiest. Onder het motto "crisis, what crisis?' wordt alles uit de kast gehaald om het rapport van Deetman te bagatelliseren: Democratie is geen doorgeefluik; er zal altijd sprake zijn van afstand, zo men wil een kloof tussen kiezers en gekozenen; zei Abraham Kuyper niet al dat de teleurstelling in het parlementaire stelsel was “ingevleescht”? In zekere zin is onvrede inherent aan parlementaire democratie.

En dan de zogenaamde uitingen van onvrede. Volgens de commissie-De Koning blijkt daar maar weinig van. De opkomst van de kiezers geeft nog geen trend aan die zou duiden op ernstige kwalen van politiek en bestuur, in tegenstelling tot naburige landen als België, Frankrijk en Duitsland kent Nederland tot dusver geen polarisatie naar extremen die tot grote verontrusting zou moeten leiden, en dat er steeds minder mensen lid zijn van een politieke partij betekent nog niet dat dit hoeft te leiden tot grote problemen voor het functioneren van een parlementair democratisch staatsbestel.

Maar men wilde niet vervelend zijn. Geloof en gevoelens zijn ook politieke feiten en dus toog men toch maar aan het werk. Hoewel het oud-lid van de Raad van State J.M. Polak (die door de VVD naar de commissie-De Koning was afgevaardigd) liet doorschemeren dat het voor hem niet had gehoeven. “Er bestaan wel grotere problemen dan waar wij ons mee bezig hebben gehouden”, zei hij gisteren. Het is inderdaad hoe je het woord probleem definieert.

Als de indicatoren voor het functioneren van de democratie zo eng worden genomen als de commissie-De Koning in zijn analyse heeft gedaan, is er inderdaad weinig aan de hand. Maar hoe zit het dan met die rechter die steeds meer op de stoel van de politicus is gaan zitten, hoe zit het dan met al die Eerste Kamerleden die het werk zijn gaan doen wat hun rechtstreeks gekozen collega's van voorheen aan de overzijde nalaten, hoe zit het dan met die "calculerende burger' die zich steeds minder aan de macht gelegen laat liggen, hoe zit het dan met de vernietigende analyse die de secretarissen-generaal over het Haagse besluitvormingsproces schreven? Geen problemen die je direct oplost met een ander kiesstelsel, maar het volledig ontkennen van een kwaliteits- en legitimiteitscrisis zoals de commissie-De Koning nu in feite doet is weer het andere uiterste. Dat zit al dicht bij zelfgenoegzaamheid, het gevaarlijkste dat een politicus kan overkomen.

Net als de commissie-Van Thijn een maand geleden deed toen het over de gekozen burgemeester ging, draagt de commissie-De Koning oplossingen aan die vooral voor intern gebruik zijn. Het kiesstelsel dat de externe betrokkenheid zou moeten vergroten blijft nagenoeg intact. De overige aanbevelingen, met uitzondering misschien van de door de Tweede Kamer aan te wijzen formateur (dat enigszins spectaculair oogt, maar al sinds 1971 tot de mogelijkheden behoort) vallen onder de categorie klein onderhoud.

Daarmee lijkt het eind van het zoveelste debat over staatsrechtelijke en bestuurlijke vernieuwing in zicht. Natuurlijk, formeel moet de Tweede Kamer zich er dit najaar nog over uitspreken, maar gezien de partijverhoudingen in de commissies, zal dit waarschijnlijk weinig verrassingen meer opleveren. Een half jaar voor de verkiezingen zal blijken dat uit de gevestigde politieke orde weinig behoefte aan systeemverandering bestaat. Volgens Van Mierlo wordt hiermee nog eens het bestaansrecht van D66 bewezen. De andere partijen zullen het echter uitleggen als de nutteloosheid van D66. Uit de mond van iemand als PvdA-fractieleider Wöltgens valt bijvoorbeeld steeds vaker op te tekenen dat de staatsrechtelijke voorstellen van D66 verjaard zijn.

De gevestigde partijen zullen hun eigen halsstarrigheid gaan gebruiken als argument tegen de gezamenlijke vijand D66 onder het mom van: na 25 jaar heeft die partij nog steeds niets bereikt. Daarbij komt dat Van Mierlo met de handicap zit dat hoewel de urgentie wellicht groter is, zijn pleidooi voor systeemverandering bij de kiezer veel moeilijker zal zijn over te brengen dan in 1967. Die weet in veel gevallen niet beter dan dat hij de minister-president al rechtstreeks kiest. Van Mierlo heeft straks een moeilijk verhaal dat zijn concurrenten schamper zullen afdoen als "nog steeds hetzelfde liedje als in 1967'. Daarmee is dan precies bereikt wat de anderen wilden en waar Van Mierlo zo bang voor was. Want zijn "speeltje' gaat op dat moment fungeren als een boemerang.