Oudgedienden zien weinig in advies over kabinetsformatie; "Informateur zal niet verdwijnen'

DEN HAAG, 28 april. Aan het Binnenhof wordt een brute moord beraamd op een van de meest dierbare figuren van de vaderlandse consensus-politiek: de informateur. Hij verschijnt er zelden, maar als hij er is, is hij het middelpunt van de politiek. Dagen, weken, soms maanden houdt hij zich op in de Eerste Kamer, omgeven door een waas van geheimzinnigheid. Hij verkent het landschap vol politieke mijnen om de weg te bereiden voor een formateur die vervolgens zonder al te veel risico's een kabinet kan vormen. Buiten houden journalisten de wacht, binnen raadpleegt de informateur in beslotenheid de fractieleiders, en af en toe licht hij een tipje van de sluier op, want hij is Hare Majesteits informateur.

Volgens een commissie onder leiding van ex-minister J. de Koning (CDA) hoeft de figuur van de informateur niet meer op het Binnenhof terug te keren. De Tweede Kamer moet, zo vinden de zes commissieleden, in een formatiedebat een formateur aanwijzen: de politieke partijen zijn aldus gedwongen meteen na de verkiezingen hun kaarten op tafel te leggen. Voor het aftasten en consulteren, het veinzen en "ontveinzen' is dan minder ruimte, aan de "stroperigheid' wordt dan een eind gemaakt, zo vinden de voorstanders.

Maar kan in de Nederlandse politiek een kabinet worden geformeerd zonder dat de "verkenner' eerst zijn werk heeft gedaan? Sinds 1959 wordt na verkiezingen meestal eerst een informateur aangewezen, en vooral in complexe situaties. Bij de vorming van het kabinet-Den Uyl in 1973, het kabinet-Van Agt/Wiegel in 1977 en het kortstondige kabinet-Van Agt/Den Uyl in 1981 was het een komen en gaan van informateurs, vaak kleurrrijke figuren die de gevoeligheden onder de partijen met stilzwijgen bedekten. Wie herinnert zich niet profesoor Steenkamp, de vader van het CDA, die in 1971 wegbereider was van het kabinet-Biesheuvel. De professor uit Eindhoven placht in de Eerste Kamer hard te weken, maar ook een informateur is maar een mens, dus onderbrak hij zijn gewichtige staatstaak ook wel eens voor een dutje. Gans Nederland hield de adem in toen hij voor de televisie demonstreerde hoe dat ging. Want ja, de informateur was toen bijna nog een mystieke figuur. Dus zag televisiekijkend Nederland hoe de professor zich op een stretcher met - door de KLM verstrekte - ooglapjes op te rusten legde. Steenkamp slaagde na ruim twee maanden, al kwam het kabinet-Biesheuvel weer snel in problemen door de houding van DS'70 onder leiding van Drees jr.

De meest ex-informateurs zijn sceptisch over de voorstellen die De Koning gisteren in het rapport "Bestel bijgesteld' presenteerde. “Ik voel er niet veel voor, ik vind het onnodig”, zegt W.F. de Gaay Fortman, die als informateur optrad bij de vorming van het derde kabinet-Drees (1956), daarna bij de woningwetcrisis van het kabinet-De Quay (1961) en in 1981 bij de vorming van het kabinet-Van Agt/Den Uyl. “Als je de informateur afschaft, moet je niet denken dat het veel sneller gaat want partijen laten zich niet opjagen. Het is mij een raadsel waarom dit voorstel als een vondst uit de kast is gehaald.” Ook W.C.L. van der Grinten ziet niet veel in de ideëen van De Koning. “Ik vind het allemaal onverstandig want de formatie van een kabinet hangt erg af van de constellatie na de verkiezingen.” Van der Grinten was informateur ten tijde van de langste formatie (208 dagen) die Nederland heeft gekend, de vorming van het kabinet-Van Agt/Wiegel in 1977. Na de verkiezingen leek het logisch dat de PvdA onder Den Uyl, die een grote zetelwinst had geboekt, zou doorgaan met het CDA en D66 in het tweede kabinet-Den Uyl. Maar Den Uyl mislukte als formateur, het tweede kabinet-Den Uyl strandde uiteindelijk in eigen gelederen op de motie-Reckman. In de formatie van 1977 werd zes keer een informateur aangewezen, waarbij de laatste, Van der Grinten, de weg bereidde van de coalitie CDA/VVD die daarop werd bezegeld door Van Agt als formateur. “Als er meerdere partijen in het spel zijn, is het direct aanwijzen van een formateur te zwaar. Wat moet er dan gebeuren als hij mislukt? Nu is een formateur redelijk zeker dat hij slaagt en kan hij zonder gezichtsverlies premier worden.”

J. Zijlstra, formateur van zijn eigen kabinet in 1966 en informateur bij de vorming van het kabinet-De Jong een jaar later, is eveneens sceptisch. “Het is een gedachte die al eerder is gerezen. Het houdt me niet echt bezig, ik loop er niet de hele dag over te piekeren.”

Zowel De Gaay Fortman als Van der Grinten vindt dat de "aangewezen formateur' te veel de positie van het staatshoofd aantast. Volgens de huidige procedure wijst de koningin de informateur aan op basis van een advies dat zij krijgt van de fractieleiders. “Ik geloof er niets van dat een formateur die door de Kamer is aangewezen een groter gezag heeft”, zegt De Gaay Fortman. “We zijn met de laatste twee koninginnen toch niet slecht gevaren. Zowel Juliana als Beatrix heeft zich altijd bewogen binnen de ruimte die de adviezen van de fractieleiders gaven.”

De Koning zelf leek ook niet al te overtuigd van zijn voorstellen gisteren. Zijn commissie wil de Kamer wettelijk verplichten om een formateur aan te wijzen, maar zelf houdt hij liever een slag om de arm en wil van het woord "plicht' niet horen. In feite heeft de Tweede Kamer in 1971 - bij de motie-Kolfschoten - zelf de mogelijkheid geopend een formateur aan te bevelen. In mei 1972 werd er een formatiedebat gevoerd maar dit leidde toen niet tot een kandidaat die op een meerderheid kon rekenen. Het voornemen stierf daarop in schoonheid. Alleen M. Vrolijk (PvdA) - informateur in 1977 - vindt dat de procedure anders moet. “De hele procedure van kabinetsformatie moet in dit land nodig worden aangepakt. Het duurt allemaal veel te lang”, aldus Vrolijk, die met P.J. Verdam (CDA) tevergeefs de route naar een coalitie van PvdA en CDA verkende. “De huidige praktijk is niet geloofwaardig. Zo snel mogelijk na de verkiezingen moet er een vertaling komen van de uitslag, maar de informateur verduistert het zicht op een snelle oplossing.”

Zijlstra denkt echter dat er weinig zal veranderen aan de huidige praktijk. Er zal altijd op gestudeerd worden. Iedere generatie komt erop terug. In de jaren zestig was er de commissie-Cals/Donner, in de jaren tachtig de commissie-Biesheuvel en nu de commissie-De Koning. “En zo zal het doorgaan tot in lengte van dagen. Misschien komt er ooit eens iets goeds uit.”