Loonmatiging: Overbodig of noodzakelijk?; Van Schaik: Nederland wordt het schoonmaakbedrijf van Europa; Matiging van lonen is symptoombestrijding en leidt slechts tot herverdeling van werk

De afgelopen twee jaar kwam een eind aan de loonmatiging van de jaren tachtig. Van premier Lubbers en minister De Vries van Sociale Zaken tot president Duisenberg van De Nederlandsche Bank wordt aangedrongen op nieuwe matiging. Ze werden eind maart bijgevallen door directeur Zalm van het Centraal Planbureau.

Wat niet vaak geschiedt gebeurde nu echter wel: Zalms verhaal werd aangevallen in het economenvakblad ESB door dr. A.B.T.M. van Schaik, hoogleraar algemene economie aan de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg.

Hou toch eens op met dat gedram over loonmatiging, luidt Van Schaiks boodschap. Nederland moet mee in de vaart der volkeren, als de lonen hier voortdurend achterblijven bij het buitenland veroudert de produktiestructuur.

Heeft Van Schaik gelijk? Of geven de argumenten van minister De Vries de doorslag? Twee interviews.

Voor het Centraal Planbureau en het kabinet is het een simpele zaak: de lonen stijgen in 1992 en 1993 teveel, mede daardoor lopen de winsten fors terug. Is dat geen sterk argument voor loonmatiging?

Van Schaik: Ik ben geschrokken van een berekening in het zojuist verschenen Centraal Economisch Plan 1993. Het Planbureau onderzoekt de gevolgen van loonmatiging in de naaste toekomst, in de jaren 1995-1998. Daaruit blijkt dat die matiging goed is voor de werkgelegenheid, maar niet voor de produktie en ronduit slecht voor de consumptie. Dus met dezelfde produktie komen er weliswaar meer banen. De produktie wordt arbeidsintensiever, that's all. Bovendien - en dat is het tweede verrassende punt - het financieringstekort gaat omhoog.

Maar met zoveel mensen zonder werk, in de WW of de WAO, heeft Nederland toch vooral meer banen nodig.

Jawel, maar kun je dat tien jaar volhouden? De landen in het kapitalistische marktsysteem groeien naar elkaar toe, ze gaan op elkaar lijken. Je kunt wel tijdelijk afwijken van de trend, maar niet blijvend. De exporterende bedrijven moeten arbeid door kapitaal vervangen, anders worden ze te duur. Die bedrijven worden steeds meer kapitaalintensief. Als we de arbeid hier kunstmatig goedkoop houden, dan worden we, met enige overdrijving, het schoonmaakbedrijf van Europa. In de internationale concurrentiestrijd gaat het om hoogwaardige technologie. Daar hoort hoogwaardige arbeid bij: het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe produkten. Als die onderzoekers naar het buitenland vertrekken raakt Nederland achterop.

CPB-directeur Zalm noemt datzelfde argument voor de ambtenaren. Als die jarenlang worden achtergesteld kan de overheid geen talent meer aantrekken.

Kijk naar Amerika. Daar zijn de lonen na 1965 achtergebleven, omdat zoveel nieuwe immigranten en vrouwen werk zochten. Maar de VS kunnen zich een lage produktiviteitsgroei veroorloven, Amerika is tot op zekere hoogte een economisch eiland. Nederland niet.''

Volgens de economische theorie leidt meer werkloosheid tot minder loonstijging. Van Schaik geloofde tot omstreeks 1975 in die theorie. “Toen was het mis en ging de werkloosheid sprongsgewijs omhoog, hetgeen er op duidt dat de economie in een overgangstijd zit en een nieuw evenwicht zoekt. In Europa heb je geen marktconforme werking. In Amerika zijn de lonen ook star, maar voor Europa geldt dat nog veel meer. Tot voor kort was alles gendexeerd. Dus stegen de lonen altijd harder dan de prijzen.”

Van Schaik wijst op de jaren 1987-1990. Dat waren jaren van loonmatiging. Maar ze leidden niet tot een groter aandeel op de internationale markten. Vanwege de aanhoudende loonmatiging zou je een aanzienlijke stijging van het Nederlandse aandeel op internationale markten verwachten, maar dat blijkt niet het geval geweest te zijn: de wereldhandel groeide met 7 procent, de Nederlandse goederenuitvoer met 6,4 procent. Ergo: loonmatiging is helemaal niet zo goed voor de Nederlandse concurrentiepositie, concludeert Van Schaik.

Kwam dat door de sterke gulden, die het loonvoordeel weer teniet deed?

Nee, tussen 1987 en 1990 waren de koersen binnen het EMU bijna stabiel. Loonmatiging heeft wel geleid tot herverdeling van werk, maar niet tot versterking van de Nederlandse exportpositie. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de bedrijven hebben geprobeerd winstmarges te pakken; die waren in de eerste helft van de jaren tachtig dramatisch verslechterd. Maar in plaats van risico's te nemen en agressiever te worden, ging men behoedzaam te werk.''

Het gaat Van Schaik, zegt hij met grote nadruk, om de prijzen. Als produkten net op de markt komen kan een producent hogere prijzen vragen, maar bij allang bestaande produkten kan dat niet meer. De prijsconcurrentie neemt toe. De prijzen dalen en dus stijgt de loon/prijs-verhouding. Dat is wat er volgens hem nu in Nederland gebeurt.

Het Planbureau is te positief over de voordelen van de harde gulden?

Ja, de vergoeilijking in het CEP is een lege doos. Men wijst op het voordeel van een lage rente, maar wat betekent dat in Nederland? Hooguit komt het de overheid met haar hoge schulden goed uit en betekent het iets voor partikulieren in de woningsector. Maar voor bedrijven betekent die lage rente nauwelijks iets. Men vergeet dat internationaal operererende bedrijven investeren op basis van een internationaal concurrerend rendement. Voor hen telt de internationale rente veel meer dan de Nederlandse rente.

Zo vormen de harde gulden en de lage rente veeleer een nadeel.

Als de Nederlandse rente onder de buitenlandse rente komt, jaag je nog meer kapitaal de grens over. Het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans is zo beschouwd een communicerend vat met de kapitaalrekening. Nederland spaart veel. Maar investeren we ook veel?

President Duisenberg van De Nederlandsche Bank noemt een flink overschot op de lopende rekening "gezond'.

Dat is dus de vraag. Toen we in 1979 een klein tekort hadden, waren we volgens Zijlstra meteen tot de derde divisie gedegradeerd. Sindsdien kampen we met enorme overschotten op de lopende rekening. Een gevolg van de loonmatiging en van onze importstructuur. Die omvat veel tussenprodukten, en bij een recessie gaat dus niet alleen de import, maar ook de export omlaag. Dat betekent wel dat een steeds groter deel van ons nationaal vermogen in het buitenland zit. Met als gevolg dat het risico van valutaschommelingen voor ons vermogen steeds groter wordt. Het is een zichzelf versterkend proces.

Wat voor effect heeft loonmatiging op de koopkracht?

De partikuliere consumptie daalt. Dat raakt vooral de binnenlandse sector. Ondernemers reageren met investeringsbeslissingen op afzetverwachtingen. Ze worden huiverig en gaan inspelen op de krimp. Bovendien heb je te maken met penetratie van buitenlandse ondernemingen op de Nederlandse markt. De vraag of zij prijsdiscriminatie toepassen is veel belangrijker dan de vraag of wij aan loonmatiging doen.

En de gevolgen van loonmatiging voor investeringen?

In de exportsector trekken de investeringen aan onder invloed van loonmatiging. In de overige sectoren is loonmatiging op korte termijn, zeg twee jaar, slecht voor de investeringen, omdat de economische levensduur van het produktie-apparaat erdoor wordt verlengd. Per saldo is het effect op den duur positief, door hogere winstverwachtingen.

Is loonmatiging symptoombestrijding?

Daar lijkt het veel op. De kern is: hoe blijf je onderdeel van het zwaartepunt van de wereldeconomie? Grosso modo is het internationale bedrijfstakkenpatroon uniform. Kan Nederland daarvan afwijken? Het antwoord luidt: nee. Loonmatiging helpt slechts om het werk te herverdelen.