Lange-termijneffect onduidelijk door te weinig onderzoek; Laseroperatie tegen bijziendheid

ROTTERDAM, 28 APRIL. Oogartsen in Nederland maken zich zorgen over de snelle toename van het aantal lasers waarmee oogoperaties worden uitgevoerd. Met zo'n "excimeerlaser' kan in sommige gevallen bijziendheid worden verholpen. Er bestaat echter nog weinig zicht op de resultaten op langere termijn. Staatssecretaris Simons (volksgezondheid) wil advies hierover van de geneeskundige hoofdinspectie, de Gezondheidsraad en de Ziekenfondsraad.

Een excimeerlaser geeft een bundel ultraviolet licht. Hiermee kan een deel van het hoornvlies worden verdampt zonder dat het achterliggende weefsel wordt beschadigd. Zo kan de breking van het licht door het oog worden benvloed. Het oog wordt als het ware bijgeslepen. Deze techniek kan worden toegepast bij matig bijzienden, mensen met een brilsterkte tussen -3 en -8 à -10. In Nederland wordt er sinds 1991 mee gewerkt. In Nijmegen stond de eerste excimeerlaser, inmiddels zijn er zes in verschillende oogheelkundige klinieken.

Degene die zich ook binnen het Oogheelkundig Genootschap het sterkst tegen de snelle verbreiding van de excimeerlaser heeft uitgesproken is de Rotterdamse hoogleraar P. de Jong, verbonden aan het Dijkzigt ziekenhuis. “Ik ben niet tegen nieuwe ontwikkelingen, maar de bewaking dient zorgvuldig te geschieden. Bij cosmetische indicaties moet je nóg zorgvuldiger zijn dan bij pathologische.” Immers, bij mensen die uitsluitend om cosmetische redenen de behandeling ondergaan, snijdt men in gezond weefsel. De meeste mensen die zich laten behandelen met de excimeerlaser doen dat omdat ze van hun bril af willen. In het NOS-journaal werd een item over de excimeerlaser afgesloten door met een brede zwaai een aantal brillen in de prullenbak te schuiven. Omdat verzekeraars de behandeling niet vergoeden, moeten betrokkenen het bedrag van circa vierduizend gulden per oog geheel zelf betalen.

De Jongs bezwaren spitsen zich toe op twee punten: er wordt op teveel plaatsen mee gewerkt zonder dat lange-termijnresultaten bekend zijn, en er vindt te weinig systematisch onderzoek plaats. Hij vindt dat de overheid regulerend zou moeten optreden, door enkele apparaten ter beschikking te stellen en het gebruik ervan te koppelen aan de verplichting om de resultaten netjes te rapporteren. Nu kopen de oogartsen de circa een miljoen gulden kostende apparaten zelf, en zij moeten de investering terugverdienen met de behandelingen.

De Jong vindt dat veel onderzoeksresultaten niet goed worden weergegeven: “Er zijn oogartsen die mensen hebben behandeld met oogafwijkingen die door de fabrikant als contra-indicatie worden beschouwd. Bij de presentatie van de getallen laten ze die resultaten weg. En het is bijvoorbeeld bekend dat de behandeling bij verziendheid (plus-brilleglazen) niet goed werkt. Er zijn oogartsen die het toch doen en dan constateren: het werkt niet. Waar ben je dan mee bezig?”

De Jong benadrukt dat hij op zichzelf niet tegen het gebruik van de excimeerlaser is. “Voor bijzienden met brilsterkte tussen -3 en -8 lijkt het nu een goede remedie, maar er is te weinig bekend over het effect op langer termijn. Ik heb al te vaak gezien dat nieuwe behandelingen een kortstondig succes genoten.” Hij doelt onder andere op de zogeheten radiale keratotomie. Daarbij worden kleine sneetjes in het hoornvlies aangebracht, waardoor de bolling van het oog verandert en bijziendheid eveneeens kan worden verholpen. De Jong: “Een paar jaar geleden waren degenen die deze behandeling uitvoerden er enthousiast over, maar nu zijn er niet veel meer die het doen.”

A. Deutman, hoogleraar oogheelkunde in Nijmegen, is pionier in Nederland met de excimeerlaser. Hij verweert zich tegen de kritiek op de rapportage van de onderzoeksresultaten: “Ik denk dat die kritiek overtrokken is. Ik heb wel twee of drie patiënten behandeld die een sterkere afwijking hadden, bijvoorbeeld -12. Als de patiënt het dan erg graag wil, leggen we wel uit dat we zijn bijziendheid niet volledig kunnen verhelpen. We hebben die resultaten niet in ons overzicht opgenomen, omdat we niet hebben geprobeerd die ogen tot 0 bij te werken. De fabrikant had ons ook gevraagd om die resultaten niet te vermelden in publikaties, want ze vervuilen de statistieken.” In Nijmegen worden ongeveer 350 mensen per jaar behandeld, “vaak sportlieden of televisiepresentatoren”.

Anderzijds deelt Deutman de zorgen van De Jong over de snelle toename van het aantal opgestelde excimeerlasers in Nederland. “Dat zo'n nieuwe techniek te snel op teveel plaatsen wordt gebruikt kan ik onderschrijven. Maar dat op andere plaatsen ook lasers worden gekocht kan ik niet helpen. Al jaren geleden hebben we aan de Ziekenfondsraad gevraagd om deze behandeling onder de ontwikkelingsgeneeskunde te brengen.” De raad heeft die aanvraag echter afgewezen. Volgens een woordvoerder bevond de techniek zich in een nog te experimenteel stadium en waren er onvoldoende onderzoeksresultaten gepubliceerd in degelijke wetenschapelijke tijdschriften om de aanvraag te honoreren.

Ambtenaren van het ministerie van WVC, de geneeskundige hoofdinspectie, medewerkers van de Gezondheidsraad en van de Ziekenfondsraad voeren nu overleg om vast te stellen waarover precies geadviseerd zou moeten worden. Het gaat dan bijvoorbeeld over de situaties waarin de behandeling met een excimeerlaser zinvol is en over de effecten op lange termijn. De geneeskundige hoofdinspectie is begonnen met het maken van een inventarisatie van de activiteiten en publikaties. Doel van de adviesaanvraag is uiteindelijk een besluit te kunnen nemen of deze behandeling voortaan onder de reguliere geneeskunde valt. Dat zou de weg openen naar eventuele vergoeding door het ziekenfonds bij bepaalde indicaties. Maar zeker zo belangrijk is dat het ministerie dan ook een vinger in de pap krijgt bij de aanschaf van excimeerlasers, zodat wildgroei kan worden tegengegaan. Via artikel 18 van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen kan het ministerie het verrichten van bepaalde behandelingen binden aan een vergunning. Voor oogartsen die geen vergunning krijgen, maar nu al wel met zo'n apparaat werken zou dan een overgangsregeling kunnen worden getroffen, aldus een woordvoerder van het ministerie.