Film over twee profeten van de holistische architectuur

De Natuurlijke ruimte. Regie: Frank Scheffer. Rialto, Amsterdam; 't Hoogt, Utrecht.

'De natuurlijke ruimte' noemt regisseur Frank Scheffer zijn film over de Nederlandse architecten Dom van der Laan en Ton Alberts. De titel is goed gekozen: hoewel hun werkwijze en gebouwen diametraal tegenover elkaar lijken te staan, hebben ze beiden als doel architectuur te scheppen die op een fundamentele harmonie is gebaseerd. Van der Laan deed dat langs de weg van de ratio, met een geheel eigen matenstelsel; Alberts verkiest de minder meetbare weg van de intutie.

Dom Hans van der Laan, die in 1991 op 84-jarige leeftijd overleed, is bekend om zijn bouwwerken voor zijn eigen Benedictijnse klooster in Vaals. Voor Ton Alberts - en zijn compagnon Max van Huut, die in de film onvermeld blijft - kwam de doorbraak een paar jaar geleden met zijn organisch hoofdkantoor voor de NMB in de Bijlmer. Uit de film wordt als vanzelf duidelijk welke gemeenschappelijke noemer hen bindt: het streven om met gebouwen de relatie tussen mens en natuur te definiëren. Door de hedendaagse opnames heen zijn dan ook beelden vervlochten van architectuur waar geen architect aan te pas is gekomen: Stonehenge en de grotwoningen in het zachte tufsteen van het Turkse Cappadocië.

Dom van der Laan heeft een 'gamma' ontwikkeld van een reeks blokken, stroken, staven en platen die in mathematische verhoudingen tot elkaar staan en die een gebouw 'verstaanbaar' maakt, zoals hij dat zegt. Heel even laat hij een glimp van relativeringsvermogen zien, als hij over zijn “wiskundige gedoetjes” heeft, maar door de bank genomen heeft hij de waarheid in pacht: “Wat ik met zeven of acht getallen doe, doet God met een oneindig aantal getallen.” Volgens Van der Laan is architectuur niet alleen om naar te kijken, maar ook om het verstand te ontwikkelen. “De architectuur moet ons gezichtsvermogen stillen, zoals een maaltijd onze honger stilt.”

Ton Alberts zoekt de oplossing niet in maten en verhoudingen, maar in de holistische symboliek van vijfhoekige torens (“Het pentagram is de symfonie van de gulden snede”) die zich naar boven toe openen naar de warmte, hier letterlijk verbeeld met de zonnecollectoren op de schuine daken. Ook hij is ervan overtuigd dat zijn benadering een universele waarde heeft, al is dit nog maar het “pionierswerk” voor het tijdperk van Aquarius dat op zijn vroegst in 2025 tot wasdom zal komen. Anders dan Van der Laan heeft Alberts uit zijn kosmische overtuiging een succesvol stijltje gedestilleerd, met als gevolg dat zijn kabouterdorpen over het hele land verrijzen, van het hoofdkantoor van de Gasunie in Groningen tot het nieuwe stadhuis van Groesbeek.

Het is zonder meer waar, dat er een groeiend onbehagen leeft over het opportunisme en de oppervlakkigheid die veel hedendaagse architectuur karakteriseren. Scheffer laat met deze film een geruststellend tegengeluid horen: het kan ook anders, dat wil zeggen natuurlijker. Helaas stelt hij zich zo dweepziek op, dat de geloofwaardigheid in het geding komt. Nog geen kritische noot, geen zweem van een weerwoord is er in die 72 minuten die de film duurt, te horen. Zo heeft Alberts de mond vol van de energiezuinigheid van de NMB, maar niets wordt er gezegd over het rapport dat medio 1991 verscheen van de Novem (Nederlandse Maatschappij voor Energie en Milieu) waaruit blijkt dat het totale jaarlijke energieverbruik twee keer zo hoog is als werd verwacht. Definitief averechts werkt deze uitspraak van Alberts: “Als je naar een berg kijkt, ontdek je dat die vaak heel sterk met de aarde verbonden is, uit de aarde voortkomt.” Uit het binnenste van de aarde hoor ik dan, vaag maar onmiskenbaar als het geluid van donder in de verte, kosmisch gebulder opstijgen.