Doodstraf voor drugsdelicten wint terrein

De 57-jarige Nederlander J. van Damme is in Singapore ter dood veroordeeld wegens drugssmokkel. De Nederlandse regering kan weinig voor hem ondernemen, afgezien van een beroep op humanitaire gronden.

De doodstraf is op zichzelf niet in strijd met de internationaal erkende mensenrechten. Maar de Verenigde Naties dringen al wel circa twintig jaar aan op “geleidelijke terugdringing” en hebben afschaffing betiteld als “wenselijk”. In het afgelopen decennium hebben twee dozijn landen gevolg gegeven aan deze oproep. Er is echter ook een tegengestelde beweging. Een vergelijkbaar aantal landen heeft de doodstraf ingevoerd voor drugsdelicten, waarvan zes sinds 1980. Zelfs het executeren van minderjarige daders, waar wel een internationale bepaling tegen bestaat, blijkt moeilijk uit te bannen. Het doodvonnis wegens drugssmokkel in Singapore van de 57-jarige Nederlander Van Damme vormt een actueel voorbeeld van de eerste trend, de voor morgen bevolen executie van een jonge neger in de Amerikaanse staat Texas is een voorbeeld van de tweede trend.

Iran is de onbetwiste koploper in het toepassen van de doodstraf tegen drugscriminelen (meer dan 1.000 sinds de revolutie van 1979), al heeft Amnesty International twijfel geuit of het wel altijd om drugs gaat en soms niet eigenlijk om politieke motieven. Na Iran (en de volksrepubliek China) zijn Singapore en het naburige Maleisië de meest uitgesproken vertegenwoordigers van de harde lijn. Het zwaartepunt daarvan ligt ook duidelijk in Zuid-oost Azië, gevolgd door het Midden-Oosten. Gezien de voortdurende betrokkenheid van deze regio's bij grootschalige drugsproduktie en -handel, kan men zich afvragen wat eigenlijk het nuttig effect van de doodstraf is. Singapore houdt er in elk geval rigoureus de hand aan. Drie jaar geleden was de stand 37 veroordelingen en 25 executies (door ophanging), volgens de laatste gegevens zijn 38 mensen wegens drugssmokkel ter dood gebracht terwijl 71 veroordeelden op executie wachten.

De doodstraf voor drugs is in Singapore, net als in Maleisië, een verplichte straf, gebonden aan bepaalde hoeveelheden (in het geval van herone 15 gram). Indien het gerechtshof tot een bewezenverklaring komt is het verplicht de doodstraf uit te spreken. Daar wordt wel tegenover gesteld dat rechters in het vooruitzicht van een dergelijk automatisme in de straf een natuurlijke neiging zullen hebben strengere eisen te stellen aan de bewijsvoering. Toch is de verplichte doodstraf gekritiseerd op juridische gronden nu hij het de rechter onmogelijk maakt in de strafoplegging rekening te houden met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. “De wetgever kan omstandigheden die relevant zijn voor het rechterlijk oordeel niet irrelevant maken”, zei het Hooggerechtshof van India tien jaar geleden toen zij de verplichte doodstraf uitbande. “De rechter kan niet gedwongen worden de ogen te sluiten voor verzachtende omstandigheden.” In het geval van Singapore heeft de Privy Council in Engeland als hoogste rechterlijke instantie van het Gemenebest in 1980 echter verklaard dat de doodstraf voor drugs niet in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen.

Dat het verbod op de doodstraf op zichzelf niet tot de mensenrechten behoort maakt het er voor de Nederlandse regering natuurlijk niet makkelijker op bij de regering van Singapore te pleiten voor het leven van Van Damme. Toch is er wel een opstapje. Bij het VN-verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten is een protocol opgenomen over afschaffing van de doodstraf. Deelname is vrijwillig en het is duidelijk dat Singapore daar anders over denkt dan Nederland. Maar het stelt ons land in elk geval in staat zich te beroepen op een duidelijke rechtsontwikkeling in internationaal verband. De regering zal het voornamelijk moeten hebben van puur humanitaire motieven, want een beroep op de mensenrechten zou in het geval van Singapore wel eens net tegen het zere been kunnen zijn, afgaande op de ervaringen bij de voorbereiding van de tweede Wereldconferentie over mensenrechten die in juni wordt gehouden in Wenen. Daarbij tekent zich een duidelijke spanning af tussen de Westerse landen en de Derde wereld. De niet-gebonden landen leggen een hernieuwde nadruk op het beginsel van niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden en vertonen een duidelijke neiging internationale aandacht voor de mensenrechten te bestempelen tot Westerse bemoeizucht. Singapore heeft zich in deze discussie volgens sommige diplomaten verrassend radicaal opgesteld.

Hoewel de doodstraf in de Verenigde Staten een opleving doormaakt en het land een “oorlog tegen de drugs” heeft afgekondigd is er tot dusver, op enkele uitzonderingen na, geen verband tussen deze twee gelegd. Ook de opiniepeilingen vertonen een discrepantie; voor levensdelicten onder verzwarende omstandigheden (verkrachting, roof) kan de doodstraf rekenen op percentages die oplopen tot tegen de tachtig, maar de doodstraf voor drugsdelicten haalde enkele jaren geleden nog niet de vijftig procent. Opmerkelijk is overigens dat voorstanders vaak ontkennend antwoorden op de vraag of de doodstraf helpt.

Het executeren van jeugdigen is echter nog weer wat anders. Volgens Amnesty International zijn er behalve de VS slechts zes landen in de wereld die het afgelopen decennium de dodstraf hebben voltrokken aan personen die ten tijde van het delict de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt. Tot die landen behoort, alweer, Iran. In de tien jaar die eindigden in 1987 zijn in de VS 23 doodvonnissen tegen minderjarigen uitgesproken, vrijwel allemaal jongeren met een bijzonder beroerde achtergrond. Vijf vonnissen zijn inmiddels voltrokken. Voor morgen staat in Huntsville, Texas de executie op het programma van de 28-jarige Gary Graham, die ter dood werd veroordeeld wegens een roofmoord die hij op 17-jarige leeftijd pleegde.

Behalve de algemene bezwaren tegen de doodstraf geldt ten aanzien van jeugdige delinquenten nog het speciale bezwaar dat zij nog niet volgroeid zijn en dus ook niet volledig verantwoordelijk zijn voor hun handelen - hoe gruwelijk dat ook kan zijn. Jongeren hebben een bijzondere aanspraak op heropvoeding en althans een kans op terugkeer in de samenleving. Deze argumenten zijn ook internationaal erkend, met name in het VN-verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten dat de jeugd-doodstraf verbiedt. De VS hebben dit verdrag geratificeerd maar een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de doodstraf voor jongeren. Dat gebeurde eenzijdig, zodat de vraag is of dat wel kan. Van andere deelnemers aan het VN-verdrag voor de mensenrechten, zoals Nederland, valt dan ook een protest te verwachten.