De dode jongen

De oude jongen ziet er, opgebaard,

Opnieuw uit of hij amper zestien is:

Zijn lippen donker en begerenswaard,

Zijn wangen zonder baardschaduw en fris.

Zijn doodlaken is kreukloos. Ook zijn huid.

Hij geurt naar bloemen. Vrede zij met hem.

Hij ziet er waarlijk om te zoenen uit.

Straks zingt men een tevreden requiem.

"Sterven is schoon en helder. God is groot.'

Men prijst zijn zielerust en jongenswang.

Men vond hem op een morgen, gewoon dood.

Dat wordt nog een vrolijk koorgezang.

Dat hij - voordat hij stierf - die vreemde nacht

Is ingestapt, geen weet het uit het koor.

Die vreemde kamer waar hij werd verwacht.

De maan die door het venster keek bevroor.