Voor en tegen van een klassieke strategie

De handel in opties is meer dan kopen en verkopen. Daarom verstrekken de Optiebeurs(leden) zo veel gratis informatie. Niet iedereen weet dat. Een zeer specifiek en lastig onderdeel betreft het uitoefen van opties, blijkt uit de volgende brief.

Een lezer kocht in november vorig jaar 1000 aandelen KLM op 22 gulden. Op 10 maart verleende/schreef hij met die stukken als onderpand/dekking 10 call-opties juli 1993 uitoefenprijs 25 gulden en ontving bruto 2400 gulden; 10 x 100 x de premie van 2,40. Het aandeel deed toen 25 gulden.

Dit is een bijna klassieke strategie, die over de vier maanden looptijd van maart tot juli een onbelast rendement van zo'n 10 procent oplevert. En zelfs 25 procent, 5.400 gulden, wanneer de schrijver zijn KleMmen moet verkopen op 25,00. Een brutale verkoper zou beweren: u maakt hiermee 75 procent belastingvrij in één jaar. Hij kan gelijk hebben, handige optiespelers schrijven soms drie keer per jaar op dezelfde aandelen.

Een fraai resultaat ligt binnen handbereik, maar deze belegger ruikt meer en vraagt wat er zal gebeuren op vrijdag 16 juli, de afloopdag van de juli's, indien KLM op 29 gulden staat. Hij put hoop uit de vermeende bewering van de Optiebeurs "dat niet iedereen hoeft te leveren, want niet alle optiehouders (kopers) wensen hun rechten uit te oefenen'. Is dat waar?

Die vraag wordt veel gesteld. Het antwoord luidt: houders oefenen hun call-rechten (het kopen van aandelen) uit, indien het voordeliger is dan niet uitoefenen. Daarom komt het voor dat opties met een geringe waarde niet altijd worden exercised. Terug naar het voorbeeld.

De KLM call juli 25 doet op de afloopdag ongeveer 4,00 gulden. Alle nog openstaande opties worden dan uitgeoefend. Geen optiebezitter zal een bedrag van 400 gulden per contract toch laten liggen? Zullen beide partijen het zover laten komen?

De aandeelhouder kan zijn verleende optie sluiten voor 4,00 en direct een andere, zoals de oktober of januari 25, schrijven. De veel toegepaste roll over strategie om reuze opbrengsten te verdienen. Zelfs nú kan dat, maar eenvoudig is het niet door de lage omzetten. Je loopt kans de juli te moeten sluiten op de vraagprijs (4,70) en voor de oktober niet meer te krijgen dan de biedprijs van 5,00. Na aftrek van kosten levert die switch dus verlies op. De tijd is nog niet rijp.

De houder van de juli 25 kan zijn optie goedkoper op de beurs verkopen, tenzij hij de aandelen echt wil bezitten. Wanneer alle houders en schrijvers op de afloopdag deze in-the-money optie sluiten, gaat het uitstaande belang in rook op en blijft er niets over.

Wat gebeurt er als KLM op de derde vrijdag in juli 25,00 rond doet en niet 29,00? Bij die stand zal geen enkele particulier een optie uitoefenen, want de transactiekosten liggen hoger dan de intrinsieke waarde van/winst op de aandelen; beurskoers minus uitoefenprijs. Tenzij hij maandag een hausse verwacht en vast de aandelen wil bezitten. Ook bij een koers van een paar dubbeltjes hoger zullen velen aarzelen om de stukken op te vragen. Beroepshandelaren, die tegen lagere kosten werken dan particulieren, zullen weinig laten liggen na de laatste dag.

Wie moet er leveren als niet alle nog uitstaande opties in een serie (KLM call juli 25) worden opgevraagd? Het aanwijzen van (on)gelukkigen gaat in stappen. Eerst selecteert de computer van de beurs op willekeurige wijze welke handelaar, bank of commissionair moet leveren. De aangewezen bemiddelaar vervolgt met een identieke procedure om cliënten er uit te pikken die aan hun verplichting moeten voldoen. Die procedure behoeft goedkeuring en controle van de Optiebeurs. Anders zouden, heel misschien, betrokken medewerkers in de verleiding kunnen komen bepaalde schrijvers te bevoordelen en over te slaan.

"Hoe groot is de kans om aangewezen te worden', vraagt de briefschrijver. Antwoord: na de laatste handelsdag van een serie met voldoende intrinsieke waarde zal geen schrijver de dans ontspringen. Staan er in de KLM-serie 4.000 opties open en worden er 2.000 uitgeoefend, dan lopen de schrijvers 50 procent kans om aan hun verplichting te moeten voldoen.

En een andere vraag: hoe worden de niet uitgeoefende opties afgewikkeld? Waar blijven ze? Een optie is slechts een recht of plicht in de boeken van de beurs, banken en commissionairs. Een belegger krijgt een nota van zijn positie en geen apart verhandelbaar certificaat. Openstaande, niet afgewikkelde opties, worden gewoon doorgehaald in de boeken. Dat kan omdat de verrekening van de optiepremie, tussen koper en verkoper, al direct na het aangaan van de verplichting plaatsvond.