VEILIGHEIDSBELEID [2]

Gezien het primitieve stadium waarin de statengemeenschap verkeert, althans waar het de handhaving van inter- en transnationale vrede en veiligheid betreft, mogen we het concept van collectieve veiligheid, zoals vastgelegd in het Handvest van de VN, gerust een triomf van internationaal juridisch denken noemen.

Een hoogtepunt in de geschiedenis van het volkenrecht in de orde van grootte van Hugo de Groots Drie boeken over het recht van oorlog en vrede uit 1625, dat aan de wieg van het internationale recht stond. Hieraan doet niet af dat de Veiligheidsraad gedurende de Koude Oorlog (m.u.v. Korea) verlamd was. Noch dat na die Koude Oorlog de Veiligheidsraad zijn weg moet zien te vinden in de "nieuwe' internationale orde. Een orde die juridisch gesproken overigens van 1945 dateert. Nog van vóór het nucleaire tijdperk, van net vóór de atoombommen op Japan, die - aldus Röling - "aan het begin van de koude oorlog' staan.

Het systeem van collectieve veiligheid in hoofdstuk VII van het Handvest van de VN geeft de Veiligheidsraad verstrekkende bevoegdheden om situaties die naar zijn oordeel de internationale vrede en veiligheid bedreigen, het hoofd te bieden. Dat de Veiligheidsraad met de resolutie waarin hij de vervolging van de Koerden in Noord-Irak als een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid kwalificeerde, de bijl zou hebben gezet in artikel 2, lid 7 van het Handvest (het verbod van inmenging in binnenlandse aangelegenheden), zoals Homan stelt, is dan ook onjuist. Hij haalt lid 7 niet volledig aan. De slotwoorden maken duidelijk dat wat de Veiligheidsraad als een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid beschouwt, per definitie geen inmenging in binnenlandse aangelegenheden is. Artikel 2, lid 7 bepaalt nadrukkelijk: “Dit beginsel (van niet-inmenging) staat de toepassing van dwangmaatregelen ingevolge Hoofdstuk VII evenwel niet in de weg.”

Uiteraard sluit dit kritiek op besluiten van de Veiligheidsraad niet uit. In een lezing in juni 1992 gewaagde Kooijmans van een "bizarre' resolutie van de Veiligheidsraad jegens Libië (Lockerbie-affaire). Kennelijk oordeelde het Internationaal Gerechtshof in de zaak die Libië aanspande tegen de VS en Engeland, die resolutie evenwel niet "bizar' genoeg - niet apert onredelijk of in strijd met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties (artikel 24, lid 2 van het Handvest) - om haar onrechtmatig te verklaren. Gesteld al dat het Hof dit had kunnen doen. Los van de constitutionele positie van het Internationaal Gerechtshof ten opzichte van de Veiligheidsraad, is het verstandig kritiek op die Raad of op zijn samenstelling, niet te verwarren met het concept van collectieve veiligheid, hoe moeizaam en "arbitrair' wellicht ook toegepast.