Topman Leif Östling: vertrouwen in truckindustrie heeft forse deuk opgelopen; Scania profiteert van DAF-debâcle

SÖDERTÄLJE, 27 APRIL. Hij zou blij moeten zijn met het faillissement van het oude DAF want zijn onderneming kan alleen maar garen spinnen bij het debâcle rondom de Nederlandse truckfabrikant. Toch is hij er niet onverdeeld gelukkig mee. Leif Östling, president-directeur van het Zweedse vrachtautoconcern Scania, geeft toe dat zijn bedrijf de laatste tijd in een aantal Westeuropese landen in vrij hoog tempo marktaandeel wint. Vooral in England en Frankrijk, maar ook in Nederland, boekt Scania succes bij voormalige klanten van DAF.

Enige tevredenheid daarover kan Östling moeilijk onderdrukken. Toch ziet de bescheiden en vloeiend Nederlands sprekende Zweed - in de jaren zeventig was hij vijf jaar lang directeur van Scania Nederland in Zwolle - ook de schadelijke gevolgen van het DAF-drama voor de gehele Westeuropese truckindustrie. “Een faillissement is in de automobielindustrie toch vrij uniek. Dat laat duidelijk zijn sporen na. Afnemers en toeleveranciers van de vrachtwagenindustrie zijn hun vertrouwen gedeeltelijk kwijt geraakt. Ze zijn een beetje kopschuw geworden en vragen zich nu wat angstig af hoe kleinere, onafhankelijke producenten als Scania de desastreuze marktontwikleing in de vrachtwagensector doorstaan.”

Wat Scania betreft is er, aldus Östling, geen enkele reden voor bezorgdheid. De tweede Zweedse fabrikant van trucks en bussen - Volvo is nummer één - maakte in het dramatische slechte jaar 1992 nog winst. Scania vormde daarmee, vermoedelijk samen met het Duitse MAN, een uitzondering in de bedrijfstak.

Scania verwacht ook in '93, ondanks een verwachte nieuwe daling van de Europese truckmarkt met ruim 30 procent, de winst te kunnen vasthouden.

Östling houdt consequent vast aan de Scania-filosofie: geen fusies en specialisatie op zware trucks (boven de 16 ton). Zelfs de huidige malaise kan de 47-jarige Scania-topman niet verleiden tot fusies of overnemingen. “Je koopt toch alleen maar problemen. En je zit altijd met verschillende bedrijfsculturen. Vaak krijg je dan twee bedrijven onder één paraplu. Daar voelen wij niets voor.”

Afgelopen najaar kreeg Scania het toen al wankelende DAF bijna op een presenteerblaadeje aangeboden, vertelt Östling. “In oktober belde Cor Baan me op. "Ik heb een partner nodig en ik wil graag weten of Scania's standpunt inmiddels veranderd is. Ik heb met Mercedes gepraat en Hino in Japan, maar dat is niets geworden, jullie zijn de enigen die nog in aanmerking komen. Is er een opening?'. Ik heb hem geantwoord dat die er niet is. Na DAF's fusie met Leyland hadden wij geconstateerd dat DAF voor een hele andere filosofie had gekozen: zij voor diversificatie in de breedte, in bestelwagens en lichtere trucks en wij voor specialisatie in zware vrachtwagens.”

Pag 14: Scania: toekomst van DAF somber

De kans van slagen voor het nieuwe DAF ziet de Scania-topman nogal somber in. “Ze hadden voor het opstarten van een nieuwe truckonderneming geen slechter moment kunnen kiezen”, meent Östling. “Ze beginnen in een uitermate slechte markt, waar de prijzen onder hevige druk staan. Die situatie wordt voorlopig niet beter doordat bewindvoerders van het oude DAF bezig zijn oude voorraden te lozen. Maar als ze in Eindhoven de eerste 2 of 3 jaar doorkomen staan ze er tamelijk goed voor.”

De voortekenen zijn volgens de Scania-topman niet best. “De afgelopen weken is de situatie bij het nieuwe DAF rampzalig geweest. Van gezamenlijke toeleveranciers begrijp ik dat DAF-nieuw nog bijna niets heeft geproduceerd. Het faillissement heeft zo'n stuk vertrouwen gekost. Dat is een van hun voornaamste problemen.”

Scania zelf profiteert intussen behoorlijk van die situatie. Vooral in Engeland en Frankrijk slaagde het Zweedse bedrijf erin snel marktaandeel te winnen. Östling schat dat Scania in Groot-Brittanië in korte tijd qua aandeel in de markt voor zware trucks van 11 naar 15 procent is geaan en in Frankrijk van 11 naar circa 14 procent. Scania wordt, ook in Nederland, benaderd door “teleurgestelde klanten” van DAF, zegt Östling. Hij geeft toe dat zijn eigen verkooporganisatie ook flink actief is onder die groep potentiële afnemers. Östling wil niet als een aasgier overkomen maar hoopt niettemin dat een paar grote fleetowners in de naaste toekomst in plaats van voor DAf voor Scania zullen kiezen. Ook aan de jacht op DAF-dealers doet Scania, hier en daar, met succes mee.

Toch beschouwt Ostling het nieuwe DAF Trucks wel als een concurrent om rekening mee te houden, zeker ook omdat de oude schulden nu zijn verdwenen en omdat de Nederlandse overheid als aandeelhouder meedoet. Die staatsteun beschouwt hij als een regelrechte subsidie. “Ik ben echt boos over die concurrentievervalsing. Maar de truckindustrie zit nu eenmaal zo in elkaar, je ziet het ook in Frankrijk met Renault waar de Franse staat wel 12 tot 14 miljard franc in heeft gestoken en in Italië met Iveco.” Scania heeft over de steun aan DAF niet in Brussel aan de bel getrokken (“Zweden zit tenslotte nog niet in de EG”) maar hij gaat er van uit dat andere Europese concurrenten wel degelijk hebben geprotesteerd.

Scania is onderdeel van het Saab-Scania-concern dat op zijn beurt weer volledig eigendom is van de steenrijke familie Wallenberg, behaalde vorig jaar volgens Östling ondanks de dramatische marktomstandigheden nog een positief resultaat van tussen de 12 en 15 procent van het genvesteerde vermogen. Östling is niet bang dat de winst van Scania wegsijpelt naar de momenteel flink verliesgevende produktie van Saab-personenauto's (waarin General Motors vier jaar geleden voor helft deelneemt) of naar eveneens noodlijdende Saab-vliegtuigtak. “Ik heb van Peter Wallenberg de toegezegging dat de winst van Scania net als in het verleden in de eerste plaats wordt gebruikt voor investeringen in Scania. Dat is de uitgesproken intentie van de eigenaar. Daar heb ik het volste vertrouwen in.”

Scania's winst zal dit jaar ook lager uitvallen. Östling: “dat kan ook niet anders met een circa 30 procent ingezakte markt.” Desondanks zegt de Scania-topman niet uitsluitend te mikken op vergroting van het marktaandeel via bij voorbeeld prijsverlagingen. “Dat is altijd een tijdelijke zaak. Wij blijven ons richten op produkten van hoge kwaliteit. En daar willen we ook een zekere premie voor ontvangen.”

Scania produceert (in tegenstelling tot bij voorbeeld het oude DAF lange tijd heeft gedaan) uitsluitend vrachtwagens op bestelling. Door de huidige malaise op de markt is Scania's produktie in West-Europa daardoor gezakt tot 60 vrachtwagens per dag, bij een capaciteit van circa 150 trucks. Sinds l990 heeft Scania zijn personeelsbestand in de produktiesfeer al met circa 2000 man ingekrompen tot 15.000 man. Östling: “Ook wij ontkomen niet aan verdere inkrimping. Dit jaar moeten er nog 1000 mensen uit. Ik sluit gedwongen ontslagen niet uit.” Die uitspraak geldt ook voor de assemblagefabrieken van Scania Nederland in Zwolle en Meppel. Via een "vertrekpremie' probeert Scania daar af te slanken. Maar als die methode niet voldoende succes heeft, wordt ingrijpen volgens het Zweedse hoofdkantoor onvermijdelijk. De produktie in Nederland gaat dit jaar omlaag van 10.200 naar circa 8000. Daardoor zijn circa 100 tot 150 mensen overbodig.