Stalin bepaalde koers roebel door op zijn hoofd te krabben; Geld is erger dan liefde; "Dollars die in omloop worden gebracht zijn niets anders dan cadeaubonnen van de Amerikaanse Centrale Bank'

Net als liefde is geld een kwestie van vertrouwen. Geen wonder dat de Britse staatsman Benjamin Disraeli in de vorige eeuw al verzuchtte: “Het enige wat meer mannen tot waanzin heeft gedreven dan liefde, is de kwestie van de wisselkoersen”. Geld is erger dan liefde.

Het vertrouwen in de stabiliteit van de economie is de afgelopen paar jaar stevig op de proef gesteld. Nooit sinds 1945 vonden zoveel economische schokken in zo korte tijd plaats als tussen 1989 en begin 1993. Het politieke-ideologische stelsel van de planeconomie in de Sovjet-Unie en Oost-Europa stortte in elkaar. De Japanse luchtbel-economie spatte uiteen. De Verenigde Staten kregen de rekening gepresenteerd van tien jaar hebzucht. Duitsland, de motor van Europa, kreunde onder de financiële overbelasting door de Duitse vereniging. In Europa sloeg de euforie over het verdrag van Maastricht om in de grootste valutacrisis, september 1992, sinds het einde van het stelsel van vaste wisselkoersen in 1971.

Deze turbulente ontwikkelingen zijn te begrijpen in een historische context. De sleutel tot begrip van de internationale economische orde ligt in 1944. In dat oorlogsjaar werden op Amerikaans-Brits initiatief in Bretton Woods twee instellingen opgericht, het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank. Het stelsel van Bretton Woods, gebaseerd op de dollar die was gekoppeld aan goud, heeft de basis gelegd voor een ongeëvenaarde welvaartsstijging. “De 25 jaar na de oorlog staan in de geschiedenis van de wereldeconomie te boek als een glorieuze periode van groei”, meent de voormalige voorzitter van het Amerikaanse stelsel van centrale banken, Paul Volcker.

De Sovjet-Unie liet in 1944 de kans lopen om zich aan te sluiten bij de internationale economische orde. In 1944 was een Sovjet-delegatie in Bretton Woods aanwezig en de Sovjet-Unie had zelfs bedongen na de Verenigde Staten en Groot-Brittannië in omvang de derde lidstaat van de nieuwe instellingen te worden. “Midden in de oorlog konden we het bondgenootschap met de Sovjet-Unie niet verbreken”, herinnert Edward Bernstein zich, die indertijd als lid van de Amerikaanse delegatie aan de conferentie in Bretton Woods deelnam. “De Sovjet-Unie was een supermacht in wording, hard bezig om de Duitsers te verslaan. Ze moesten er wel bij zijn en konden in zekere zin eisen wat ze wilden.”

Volgens Boris Fjodorov, de huidige vice-premier van Rusland, was Stalin geen moment van plan de communistische economie onder te brengen in organisaties die door de Amerikanen werden gedomineerd. “Stalin was absoluut niet bereid zijn systeem op te offeren. In het Sovjet-systeem hadden begrippen een andere betekenis dan in het kapitalisme: een bank is geen bank, geld is geen geld, een wisselkoers is geen wisselkoers. Stalin bepaalde indertijd dat er vier dollar in een roebel gingen door op zijn hoofd te krabben.”

Pas nadat de Sovjet-Unie uiteen was gevallen, sloten de afzonderlijke republieken zich in 1992 aan bij het IMF en de Wereldbank in de verwachting daar geld voor hun economische omwentelingen te vinden. De Bretton Woods-instellingen staan voor de grootste uitdaging in hun geschiedenis: “Je noemt een probleem en Rusland heeft het”, zegt Paul Volcker.

Vertrouwen in geld draait om de waarde en de beschikbaarheid van het geld. Het gaat om de voortdurende spanning die bestaat tussen een "harde munt' en een "wereldmunt'. Een wereldmunt vervult zijn rol pas goed als er genoeg van in omloop is om de groei van de economie te smeren. Maar als teveel geld in omloop komt, tast dat de hardheid van een munt aan.

Na de oorlog was de dollar de onbetwiste wereldmunt, de dollar was beter dan goud. “Dollars die in de wereld in omloop worden gebracht”, zegt de (begin dit jaar overleden) Belgische econoom Robert Triffin, “zijn niets anders dan cadeaubonnen uitgegeven door de Amerikaanse centrale bank”. Aanvankelijk werden die cadeaubonnen overal verwelkomd. Maar naarmate de Amerikanen meer dollars in omloop brachten, werd de hardheid van de dollar verder uitgehold. De oplopende Amerikaanse inflatie leidde tot steeds fellere botsingen met de Westeuropese landen, in het bijzonder Duitsland.

In 1948 hadden de Amerikanen de D-mark ingevoerd in de drie westelijke bezettingszones van Duitsland ter vervanging van de waardeloze Reichsmark. “Van mijn eerste D-marken kocht ik een pakje sigaretten”, herinnert de oud- president van de Bundesbank, Karl-Otto Pöhl zich. “Wij waren gewend om met sigaretten te betalen op de zwarte markt. Mijn generatie kreeg toen voor het eerst geld in handen, waarmee je naar de winkel kon om iets te kopen.” Als reactie gaf de Sovjet-Unie in zijn bezettingszone ook nieuw geld uit. De invoering van de D-mark leidde in 1948 tot de Russische blokkade van Berlijn en vervolgens tot de Amerikaanse luchtbrug om Berlijn van levensmiddelen en het nieuwe geld te voorzien.

Geschraagd door het succes van het Wirtschaftswunder werd de Duitse mark een steeds hardere munt. In 1971 besloot de Duitse minister van economische zaken Karl Schiller de vaste koers ten opzichte van de dollar los te laten. “Het was mijn eerste werkdag als economisch adviseur van kanselier Brandt”, vertelt Pöhl. “Brandt wist van niets en ik moest die beslissing uitleggen. De Amerikanen waren razend. Het was het grootste monetaire schandaal dat ik ooit heb meegemaakt.” De Amerikaanse minister van financiën John Connally vloog naar Duitsland en beet de Duitsers toe: “De dollar is onze munt en hij is jullie probleem.” Drie maanden later waren de Amerikanen gedwongen de gegarandeerde inwisselbaarheid van dollars in goud te stoppen en kwam een einde aan het stelsel van vaste wisselkoersen. Het had de wereld 25 jaar gekost om de Amerikaanse goudreserves uit te putten.

Ook de septembercrisis van 1992 in het Europese Monetaire Stelsel had de kwestie van de wisselkoersen, het vertrouwen in hard geld, tot inzet. De Duitse Bundesbank was - in tegenstelling tot de Amerikanen 20 jaar eerder - niet bereid de hardheid van de D-mark op te offeren. Die was aangetast door de onverwachte Duitse eenwording: “Misschien kan Duitsland zich de luxe permitteren om jarenlang enorme bedragen over te hevelen naar de oostelijke deelstaten zonder de rest van de economie te runeren”, zegt Pöhl. De financiering van de eenwording stelde Duitsland voor de keuze tussen twee kwaden: uitholling van de D-mark of hoge rente om de D-mark hard te houden. “Dank zij de Bundesbank is inflatie niet het grootste probleem. De prijs die we voor de eenwording betalen is de extreem hoge rente.”

Deze rente betaalt de rest van de EG mee omdat de munten in het Europese Monetaire Stelsel aan de D-mark gekoppeld zijn. Daar kwam bij dat president Mitterrand en premier Andreotti vlak voor de EG-top in Maastricht tijdens een vertrouwelijk diner in het Golden Tulip Hotel, december 1991, hadden besloten dat het verdrag van Maastricht een uiterste datum voor de invoering van een gemeenschappelijke Europese munt moest bevatten. Ondanks Duits en Nederlands verzet gingen de regeringsleiders akkoord. Een deel van de Duitse delegatie verliet in het geheim vroegtijdig Maastricht.

De Bundesbank was psychologisch gekwetst, de institutionele integriteit van de meest onafhankelijke centrale bank van Europa was aangetast. De Bundesbank hamerde daarom op “een selectie van de juiste groep landen” die zullen deelnemen aan een gemeenschappelijke munt, zoals vice-president Hans Tietmeyer zegt. September 1992 bleek welke munten het Duitse monetaire darwinisme niet konden volhouden en door de financiële markten werden gedwongen af te haken.

De grootste afzonderlijke speculant in die dagen was George Soros. “Ik baseerde mijn strategie op het volgen van de Bundesbank, want die bepaalde volgens mij wat er gebeurde. De Bundesbank had het voor het zeggen”, vertelt Soros. Het was een unieke gebeurtenis, waarbij hij “ongeveer een miljard dollar” verdiende door tegen het Britse pond te speculeren. “Mijn winst was het verlies van de Bank of England. En uiteindelijk verloren de Britse belastingbetalers”, erkent hij.

Verlies van de hardheid van een munt is een kostbare aangelegenheid, handhaving van vertrouwen in de wisselkoersen vergt een enorme discipline. Die discipline kunnen politici soms moeilijk opbrengen en vraagt van de centrale bankiers een grote mate van onverstoorbaarheid bij hun beheer over het geld. Dat is de les van 45 jaar naoorlogse internationale economie.

Bovenstaande artikel is ontleend aan de zojuist verschenen publikatie Erger dan liefde, de internationale economie van Bretton Woods tot Maastricht, van NRC Handelsblad-redacteur Roel Janssen (Uitgeverij Balans). De vierdelige televisieserie Erger dan liefde wordt van 30 april af uitgezonden door de BRT. De NOS zal deze serie half oktober uitzenden.