Nederlands Kamerorkest etaleert verfijnd ensemblespel

Concert: Nederlands Kamerorkest. Dirigent en solist: Philippe Entremont. Programma: I. Eröd: Studien für Streichorchester; W.A. Mozart: Pianoconcert KV 271; J. Brahms: Strijkkwintet op. 111. Gehoord: 24/4 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 27/4 Utrecht.

Vanachter de piano dirigeerde pianist en vaste gastdirigent Philippe Entremont zaterdagavond het Nederlands Kamerorkest in Mozarts Pianoconcert KV 271. De uitvoering was een regelrecht geschenk: alle rijkdom van Mozarts partituur werd onthuld in een samenspel waarbij perfectie en spontaniteit samengingen. Als in een kamermuziekensemble had iedere stem een persoonlijke zeggingskracht, en wat er gezegd werd kwam vanuit een gezamenlijke overtuiging.

Die overtuiging gold de 21-jarige rijpe componist die speelsheid en weemoed, licht en donker als geen ander met elkaar wist te verbinden, omdat hij alle daartussen liggende gradaties kende. Zo waren dan ook niet de scherpe kontrasten uit de baroktraditie in deze uitvoering bepalend, maar een uiterst genuanceerde dynamiek waarbij een accent soms week en breed werd uitgevoerd, soms fel, maar in ieder geval nooit dogmatisch.

De hechte eenheid die Entremont in Mozart wist te bereiken was ook in Studien für Streichorchester van de Hongaarse componist Iván Eröd indrukwekkend. Eröd schrijft in een vrij traditioneel idioom, want: 'als ik begrepen wil worden, moet ik me uitdrukken in een historisch gegroeide taal.' In de vijf korte delen werd een boeiend verhaal verteld waarin de strijkers van het Kamerorkest alle gelegenheid kregen om hun verfijnd ensemblespel te etaleren.

Dat dit bij de uitvoering van Brahms' Strijkkwintet op. 111 in een bewerking voor strijkorkest van Philippe Entremont wat minder goed lukte, lag enerzijds aan de technisch razend moeilijke partituur die voor vijf instrumentalisten al het uiterste vergt, en haast onmogelijk te realiseren is wanneer de stemmen vier- tot zesvoudig worden verdubbeld.

Anderzijds was de toevoeging van een bas-partij geen gelukkige greep, want hierdoor kwamen de middenstemmen soms in het gedrang wegens "geluidsoverlast'. Hoewel dit kwintet in de originele bezetting uitgesproken orkestrale neigingen heeft, bleek bij de realisering daarvan dat veel van de individuele zeggingskracht van de stemmen verloren ging. Misschien is één van de grootste charmes van dit werk wel juist zijn romantische hang naar het onbereikbare: een strijkkwintet dat symfonie wil zijn.