"Kamer moet formateur voordragen'

DEN HAAG, 27 APRIL. De Tweede Kamer moet na de verkiezingen een formateur voordragen die in beginsel tevens beoogd minister-president is. Dit schrijft de commissie-De Koning in een rapport over staatkundige vernieuwing, dat vanmorgen is gepresenteerd. De meerderheid van de commissie wijst een "gekozen minister-president' van de hand.

Volgens de commissie, onder leiding van ex-minister J. de Koning (CDA), moet de Tweede Kamer directer bij de formatie van een kabinet worden betrokken. Op het ogenblik wijst het staatshoofd - na overleg met de fractievoorzitters - een informateur of een formateur aan. De commissie vindt het “opportuun” als de Tweede Kamer “in een plenair formatiedebat” zelf een formateur voordraagt en dat wordt afgezien van een informateur. “De externe commissie verwacht van de invoering van deze wettelijke verplichting een verhelderende en versnellende werking op de formatie.” De commissie erkent echter wel het politieke risico als er geen wegbereider kan optreden in de persoon van een informateur. “Het afbreukrisico voor formateurs bij moeilijke formaties zal worden vergroot.” De formateur zou de Kamer tussentijds moeten informeren over de voortgang van de formatie. De commissie vond het “niet zinvol” een aanbeveling te doen over de gekozen minister-president, waar met name D66 groot voorstander van is.

Pag 3: "Geen direct gekozen minister-president'

Volgens de meeste commissieleden staat de regel van een gekozen minister-president haaks op de vertrouwensregel omdat hij niet door het eveneens gekozen parlement kan worden weggezonden. “De gekozen minister-president komt tot dusver nergens ter wereld voor. Het rechtstreeks aanwijzen van de regeringsleider door het kiezerscorps bleef tot dusver voorbehouden aan andere vormen van democratie, met name presidentiële stelsels”, zo schrijft De Koning.

Twee leden van de commissie, M. Ernsting (Groen Links) en Th. C. de Graaf (D66), hebben op dit punt een minderheidsstandpunt uitgebracht. Volgens hen kan de direct gekozen minister-president “een positieve impuls” geven aan de relatie tussen kiezers en beleidsvorming”. Door individualisering van de samenleving en de geringere betekenis van politieke partijen is volgens het tweetal de gekozen minister-president een belangrijke schakel tussen kiezer en gekozene.

De commissie pleit er wel voor om de formele positie van de minister-president te versterken. Omdat het “meer aansluit bij de werkelijkheid”. De minister-president is formeel de voorzitter van de ministerraad. “Het ambt van minister-president is in permanente ontwikkeling en wel zo dat van een aanhoudende versterking kan worden gesproken”, stelt de commissie. Hij zou meer armslag moeten krijgen op het terrein van de buitenlandse politiek, met name de Europese Raad. Hij moet de mogelijkheid krijgen af te wijken van het mandaat dat de ministerraad hem geeft om in te spelen op “onvoorziene situaties”. De commissie voegt er aan toe dat het “ongewenst” is de minister-president algemene coördinerende bevoegdheid te geven op buitenlands terrein. Dit moet de taak blijven van de minister van buitenlandse zaken.

Volgens de commissie moet artikel 45 van de Grondwet worden aangepast om zo tot uitdrukking te brengen dat de minister-president “wordt belast met de bevordering en bewaking van de eenheid van de regering”. De commissie was echter verdeeld over de vraag of de minister-president ook de bevoegdheid moet krijgen om collega-ministers aanwijzingen te geven. Een meerderheid van de commissie vindt “aanwijzingsbevoegdheid” echter in strijd met het collegiale bestuur. Maar een minderheid vindt het nodig dat de de minister-president deze competentie krijgen om patstellingen te doorbreken “in de uitvoering van het beleid”.

De commissie bepleit de handhaving van het huidige kiesstelsel van de Tweede Kamer. Zij is tegen een districtenstelsel omdat vooral kleine partijen met een aanhang die over het hele land is verspreid “de dupe” worden. “De nadelen van een districtenstelsel overtreffen de voordelen”, aldus de commissie. Ook op dit onderdeel maakte D66'er De Graaf een voorbehoud. De commissie bepleit wel om voorkeursstemmen “zwaarder” te laten doorwegen door verlaging van de voorkeursdrempel.

De belangrijkste conclusies van de commissie-de Koning:

De Tweede Kamer moet na de verkiezingen een formateur voordragen aan het staatshoofd. De formateur is in beginsel tevens beoogd minister-president. Er worden geen informateurs voorgedragen.

De formateur moet de Kamer tussentijds over de voortgang van de formatie rapporteren.

De gekozen minister-president wordt afgewezen.

De formele positie van de minister-president wordt versterkt, met name ten aanzien van de Europese Raad.

Het regeerakkoord moet zich beperken tot hoofdlijnen.

Het districtenstelsel wordt van de hand gewezen.

Er moet meer ruimte komen voor voorkeursstemmen.