Interventie: hoezo?

NU BEVORDERING van de veiligheid in algemene zin meer en meer op de voorgrond treedt, is er behoefte aan nieuwe beleidscriteria. Ten slotte lag de kern van de zaak bij de defensie-oude-stijl voor de hand: het ging om de verdediging van het bondgenootschappelijke grondgebied. Discussie werd gevoerd over hoe en wat, niet over wanneer, wie, waar en waarom.

Inmiddels zijn de Nederlandse strijdkrachten betrokken bij ettelijke vredebewarende interventies in verschillende werelddelen. Er moeten voorwaarden komen waaraan moet worden voldaan alvorens van een Nederlandse bijdrage sprake kan zijn.

De Adviesraad Vrede en Veiligheid heeft geprobeerd in de lacune te voorzien. In een reactie op de Prioriteitennota van Defensie schetst de Raad criteria waarop zou moeten worden gelet. Maar in de opsomming wordt niet alleen duidelijk dat er grenzen zijn aan de vaderlandse inspanningen, maar ook aan het menselijk vermogen toekomstig optreden bij voorbaat aan regels te binden. De aanbevelingen bewegen zich dan ook op het snijvlak van verstandige taal en het intrappen van open deuren.

Een enkel voorbeeld: de vraag in hoeverre Nederlandse belangen rechtstreeks worden aangetast (eerder was er in de parlementaire discussie sprake van “wezenlijke” belangen), moet volgens de Raad worden meegewogen bij een beslissing om al dan niet aan een interventie deel te nemen. Op deze manier wordt het Nederlandse belang in fasen opgedeeld: waar het rechtstreeks en waar het niet rechtstreeks in het geding is. Voorzichtig wordt in het advies gesuggereerd dat de grens tussen beide fasen geografisch, en dus niet of niet altijd thematisch, zal zijn.

Wie de praktijk te hulp roept, zou kunnen concluderen dat de oorlog in Bosnië het Nederlandse belang rechtstreeks aantast. Bij de internationale interventie in Angola moet het Nederlandse belang eveneens rechtstreeks in het geding zijn geweest, maar desondanks wordt het debâcle van die bemoeienis in Den Haag vrijwel geluidloos aanvaard. Viel het in Angola wellicht mee, of juist tegen, met de mate waarin het Nederlandse belang had gespeeld?

HET KAN NIET de bedoeling zijn het werk van de Raad te ridiculiseren - de door de Raad ontworpen criteria zijn bedoeld voor de toekomst - wel moet worden onderstreept hoe moeilijk het in voorkomende gevallen zal zijn, uit eerder ontworpen richtlijnen op het beslissende moment praktisch nut te peuren.

Een discussie over de criteria voor vredebewarende interventies kan dan ook slechts aan betekenis winnen door haar in bondgenootschappelijk verband voort te zetten. De Raad blijkt daarvan verstandigerwijs voorstander.