In lauwe politiek ontbreken bezielende bindende thema's

Een commissie onder leiding van oud-minister J. de Koning (CDA) presenteert vandaag een rapport over de werking van het kiesstelsel, de kabinetsformatie, de bevoegdheden van de minister-president en de positie van de Eerste Kamer. Het rapport maakt deel uit van de voorbereiding van de door de Tweede Kamer ingestelde commissie-Deetman over staatsrechtelijke en bestuurlijke vernieuwing. De meerderheid van de commissie-De Koning wijst ingrijpende wijzingen van het kiestelsel af. Hieronder een samenvatting van het analyserende eerste hoofdstuk van de commissie. Dit standpunt wordt niet gedeeld door de minderheid Ernsting-de Graaf.

Dat het onbehagen over politiek en bestuur geenszins een typisch Nederlands verschijnsel is, blijkt al bij een vluchtige rondblik in de ons omringende wereld.

In Frankrijk bezorgden de kiezers onlangs de regerende socialisten een verpletterende nederlaag. In Duitsland leden bij de deelstaatverkiezingen in Hessen de beide grote partijen CDU en SPD verlies. In de Verenigde Staten vond een "amateur' als Ross Perot onverwacht massale weerklank in de presidentiële campagne. In Denemarken benutten vooral "kleine luyden' het referendum over "Maastricht' om hun misnoegen te tonen over eigen politiek en bestuur. België is ten prooi aan vérgaande politieke desintegratie. In Italië zijn crisis en corruptie genstitutionaliseerd. In het Verenigd Koninkrijk staat de premier op een dieptepunt qua populariteit. In Japan, geteisterd door schandalen van de politieke klasse, was de opkomst bij de laatste algemene verkiezingen ongekend laag.

Voor buitenlandse waarnemers valt Nederland zelfs in zoverre uit de toon dat hier optredende malaiseverschijnselen naar omvang en intensiteit geringer zijn dan elders.

Een sluitende verklaring waarom het fin de scècle alom zo deprimerend verloopt - zo deze al zou zijn te geven - valt buiten het bestek van dit rapport. Per land en per samenleving zullen de accenten enigszins verschillen. De economische recessie zal er niet vreemd aan zijn. Meer algemeen valt te denken aan het ontbreken van bezielende, bindende thema's in de "post-moderne', pluriforme wereld en het teloorgaan van een sense of destiny (vergelijk de "End of History'-discussie na de afloop van de Koude Oorlog). Houvasten verdwijnen door het afbrokkelen van traditionele sociale en/of politieke integratiekaders (kerk, gezin, politieke partijen); corresponderend hiermee bloeien de one-issuebewegingen op. De sterk toegenomen complexiteit van de hedendaagse samenlevingen resulteert in ondoorzichtigheid van besluitvorming en confronteert de burger met een ongrijpbare bureaucratie (niet van de overheid alleen). Bevoegdheden verschuiven (bijvoorbeeld naar de "vierde bestuurslaag' van de Europese Gemeenschap). Nog dichter bij huis is er de noodzaak tot aanhoudend moeizaam streven naar een lager financieringstekort en vermindering van de collectieve-lastendruk, en de overeenkomstig geringe ruimte voor nieuwe initiatieven. Groots en meeslepend regeren is er in deze tijd niet bij.

De commissie stipt deze punten aan, omdat hier een verschijnsel dat heel "eigen' lijkt, bij nader inzien blijkt te passen in ontwikkelingen op veel grotere schaal. Zoiets is vaker vertoond; de ontmanteling van het toch zo typisch Nederlandse "zuilensysteem' bijvoorbeeld maakte achteraf gezien deel uit van een haast wereldwijde "culturele revolutie' gedurende de jaren zestig.

Het praktisch belang van zo'n constatering is tweeërlei. In de eerste plaats maant zij tot terughoudendheid met diagnoses waarbij problemen uit slechts enkele dichtbijliggende oorzaken worden verklaard. In de tweede plaats tempert zij de verwachtingen omtrent de zin van hervormingen die op zulke dichtbij liggende oorzaken gericht zijn. Dat een internationale vergelijking daarnaast ook aanzet tot een zekere relativering van in Nederland levend crisisbesef, kan uiteraard moeilijk worden ontkend.

Met de steling dat Nederland een kwaliteits- en een legitimiteitscrisis kent in politiek en bestuur, sprak de vraagpuntencommsisie "zwei grosse Wörter gelassen aus'. Enige aanvulling leek hier zinvol. Naar in de voorgaande paragrafen bleek, duiden noch de opkomst bij (Kamer)verkiezingen, noch het stemgedrag van de kiezers op het ogenblik op een meer dan normale afstand kiezers-gekozenen. De band van (de meeste) partijen met hun leden is ontegenzeggelijk losser geworden, maar ook dit hoeft niet te betekenen dat de burgers massaal de politiek de rug toekeren. Malaisegevoelens zijn niet beperkt tot Nederland en lijken hier eerder geringer dan elders.

Deze waarneming wordt ondersteund door wetenschappelijk onderzoek, waarbij de betrokkenheid van de kiezers over een reeks van jaren is gemeten. Zo luidde de conclusie in het Sociaal en Cultureel Rapport 1992:

“In langer tijdsperspectief wijst niets op een toenemende afwijzing van de volksvertegenwoordigers. In Europees perspectief zijn de Nederlanders nogal tevreden over het functioneren van hun democratie.”

Ook het Nationaal Kiezersonderzoek geeft als algemene conclusie: “Allereerst is er geen sprake van een algemene afname van politieke betrokkenheid, belangstelling, zelfvertrouwen of participatie van de Nederlandse kiezers. In de beschouwde kenmerken van kiezers zien wij voor het gehele electoraat ofwel een toename (interesse, zelfvertrouwen, mogelijk ook actiegerichte en gezagsdragersgerichte participatie), danwel een min of meer stabiel patroon (partijbinding, campagneparticipatie, cynisme).”

Is er dan niets aan de hand?

Sommige onderzoekers hangen inderdaad deze mening aan. Zo stelt Andeweg in zijn commentaar op het rapport van de vraagpuntencommissie dat van een legitimiteits- en kwaliteitscrisis geen sprake is. De vermeende crises wijt hij aan een “hardnekkig geloof in een gemankeerde vertrouwensrelatie tussen burgers en politiek onder politici en columnisten”, waar uit onderzoek eerder het tegendeel blijkt. Ook zijn collega J.Th.J. van den Berg spreekt van "een geloofsartikel pur sang', voornamelijk levend bij de “lichtelijk gefrusteerde intellectuelen die de forum- en opiniepagina's van onze dagbladen bevolken”. Hij verklaart het heersende onbehagen uit een a-historische zienswijze bij veel politieke waarnemers omtrent de rol die kiezers en Kamer behoren te spelen ("de hardnekkige mythe van het dualisme') en een hiermee samenhangend verkeerd verwachtingspatroon.

De commissie meent dat enige historische relativering inderdaad op haar plaats is. Waar echter geloof en gevoelens ook politieke feiten zijn - ook al zijn zij, zoals in het onderhavige geval, min of meer eigen aan elk democratisch stelsel en worden zij tevens gevoed door een algemene malaise in de ontwikkelde wereld - onderschrijft de commissie dat aan de haar voorgelegde problemen serieus aandacht wordt besteed. Dit te meer voorzover de relatie kiezers-gekozenen in het geding is, toch het hart van onze democratie.

De commissie stelt hierbij als bijzonderheid vast dat het thans de direct aangesprokenen zijn geweest, de volksvertegenwoordigers op wie zich gevoelens van onvrede richten, die zich tot tolk van het ongenoegen hebben gemaakt. Met het instellen van de vraagpuntencommissie, het verwoorden van voornoemde crises in haar rapport, alsmede door de hieraan gekoppelde vervolgexercities, heeft de Tweede Kamer de handschoen opgenomen. Naar de mening van de commissie is dit op zijn minst een belangwekkend experiment, dat - in afwijking van een vaste staatsrechtelijke praktijk - de mogelijkheid opent vernieuwingen te initiëren die niet (of: nog niet) worden afgedwongen door de maatschappij. Hoever hierin moet worden gegaan is weer een andere vraag. De commissie meent dat aan een bewust in gang gezet veranderingsproces in elk geval een deugdelijke sterkte-zwakte analyse moet voorafgaan. Juist voorstellen tot staatsrechtelijke vernieuwing zullen verantwoord moeten worden in termen van wat wordt beoogd en welke resultaten in concreto van voorgestelde hervormingen kunnen worden verwacht. In deze geest treedt de commissie de aan haar voorgelegde vraagpunten tegemoet.