Grotere regio's zijn niet zinvol

bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vindt dat daadwerkelijke bestuurlijke vernieuwing tot de noodzaak van gemeentelijke herindeling kan leiden. Maar ook, dat zo'n vernieuwingsproces niet nodeloos ingewikkeld moet worden gemaakt.

Het bestaan van bestuurskrachtige gemeenten is een voorwaarde om bij de bepleite nieuwe verdeling van taken een betekenend takenpakket voor de gemeenten te realiseren. De VNG acht overigens ook een provinciale herindeling voorstelbaar, waarbij ook daar schaalvergroting niet moet worden uitgesloten.

De burgemeester van Breda, Ed Nijpels, schreef in NRC Handelsblad van 22 april een uitdagend, maar niet geheel compleet verhaal over bestuurlijke vernieuwing. Waarom heeft de VNG eigenlijk bezwaren tegen de voorstellen van het kabinet om het bestuur te vernieuwen op basis van 28 regio's? Gewoon, omdat wij elkaar met die voorstellen bestuurlijk jarenlang voor de gek gaan houden.

In 1985 zijn 59 gebieden vastgesteld voor intergemeentelijke samenwerking. Volgens het kabinet zijn die gebieden te klein. Er moeten 28 grote regio's komen. Gemeenten worden aangespoord een groot aantal taken over te dragen aan het intergemeentelijk regiobestuur. Het blijven dus gemeentelijke taken die op een grotere schaal van samenwerking door gemeentelijke portefeuillehouders worden bestuurd, aldus het kabinet. Gemeentebestuurders zien op zichzelf de noodzaak en de voordelen van die grotere schaal. Hun motivatie daarbij is echter tevens gebaseerd op het intergemeentelijk karakter van dat bestuur. Het kabinet sluit niet uit dat het regiobestuur rechtstreeks gekozen gaat worden.

Daar hoeft op zichzelf geen bezwaar tegen te zijn. De consequentie is echter wèl dat er daardoor een nieuwe bestuurslaag ontstaat. Die bestuurslaag beschikt automatisch over de taken die door de gemeenten, in de veronderstelling van intergemeentelijk bestuur, zijn ingebracht. Na de totstandkoming van de nieuwe bestuurslaag zijn het echter geen (inter)gemeentelijke taken meer, maar taken van de regio. Die gemeentebestuurders worden bedankt en dienen zich terug te trekken op het eigen gemeentelijk erf. Terzelfdertijd krijgt de regio de naam: provincie-"nieuwe stijl'. Via een omslachtige weg is derhalve een groot aantal gemeentelijke taken verhuisd naar de provincie-"nieuwe stijl'. Daarbij zijn gemeentebestuurders gebruikt als verhuizers.

Met recht zou de vraag gesteld kunnen worden of de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR) bedoeld is voor het transport van gemeentelijke taken naar het provinciale erf. Zoals gezegd zijn gemeentebestuurders tot dit alles bewogen in de veronderstelling dat de schaalvergroting nodig was voor een beter intergemeentelijk bestuur. Dat nu, blijkt in de eindfase, niet de werkelijke bedoeling van het kabinet. Dat blijkt de overheveling van taken te zijn van het gemeentelijk niveau naar het provinciaal niveau-"nieuwe stijl'. De VNG zegt nu: als dat laatste kennelijk de werkelijke bedoeling is, waarom zeggen wij dat niet hier en nu tegen elkaar? Laten wij dan ook niet zo'n ingewikkelde schijnvertoning opvoeren, waarbij wij elkaar jarenlang bestuurlijk voor de gek houden. Laten wij, zonder omwegen, met elkaar besluiten tot een herverdeling van taken over Rijk, provincie en gemeenten en laten wij besluiten nemen over de invulling daarvan. Wie werkelijk voorstander is van bestuurlijke vernieuwing (en vele gemeentebestuurders zijn dat), die zegt open en eerlijk wat de bedoeling is.

De VNG wijst de voorstellen voor grotere regio's dan ook af. Niet omdat het tegen intergemeentelijke samenwerking op een grotere schaal zou zijn, maar omdat deze voorstellen in werkelijkheid een ander doel beogen. Dat doel (herverdeling van taken en bevoegdheden) is op zichzelf niet verwerpelijk, maar laten Rijk, provincies en gemeenten daar dan open en eerlijk over praten en besluiten. Wellicht is dat laatste ook een bijdrage aan de bestuurlijke vernieuwing.