Een onbestaanbare kunstacademie voor poëzie

Als het niet precies op zijn verhuisdag was gevallen, dan zou oud-hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad A.C.W. van der Vet vanmiddag zeker aanwezig zijn geweest in het provinciehuis te Groningen. Daar wordt om vier uur het eerste exemplaar van de verzamelde gedichten van Hendrik de Vries (1896-1989) door de Groningse dichter Jean Pierre Rawie overhandigd aan de commissaris van de koningin H.J.L. Vonhoff. Tevens wordt daar de volledige bibliografie gepresenteerd en een expositie geopend van portretten van Hendrik de Vries - behalve dichter en ambtenaar bij het stadsarchief ook schilder -, vervaardigd door mede-leden van de Groningse kunstenaarsbeweging De Ploeg.

Anton van der Vet, geboren te 's Gravenhage in 1919, begon als jong en ambitieus dichter aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog op aanraden van zijn leraar Nederlands dr. G.J. Geers een correspondentie met de toen al gerenommeerde Groningse dichter Hendrik de Vries. De aanvankelijk formele briefwisseling ("Zeer geachte heer Van der Vet') ontwikkelde zich tot een vriendschap ("Beste Anton') in 38 brieven en kaarten, die tien bewogen jaren zou omvatten. Al in de eerste brief maakt De Vries zijn Haagse bewonderaar deelgenoot van zijn zieleroerselen. Op 6 april 1940 betreurt De Vries de dood van zijn poes Lunel: "Zo trouw en eenkennig als een hond nauwelijks kan zijn, en steeds doorpruttelend, bijna pratend.' Hij begraaft zijn geliefde huisdier zelf. "Haast of de identiteit van mijn persoon is aangetast, zo smaakt alles naar de modder waarin ik mijn schat moest wegstoppen.'

Als begin 1942 zijn vader op hoge leeftijd door de dood uit zijn lijden wordt verlost, schrijft De Vries met zijn prachtige, bijna gekalligrafeerde handschrift: "Vergelijk ik mijn radeloos verdriet toen ik eigenhandig mijn onvergetelijke Lunel begroef, met de kalmte waarmee ik zojuist de kist zag verdwijnen, dan is deze verhouding ongeloofelijk. Ik weet wel dat het ergste nog komt, maar wanneer Vader voort had geleefd was het nog erger geworden; ik durf er niet aan te denken.' Van de dood van zijn moeder maakt de Vries zijn jonge collega-dichter eveneens deelgenoot: "(...) verder de heele onmoogelijke huishouding met mijn stervende moeder, die de avond voor de komst van de Canadezen bezweek, en met wier lijk wij de nachten van formidabele branden enz. doormaakten.'

Toch gaan de brieven van Hendrik de Vries in hoofdzaak over de dichtkunst in het algemeen en de poëzie van de correspondenten in het bijzonder. Wat zich aanvankelijk laat aanzien als een meester-leerlingrelatie, ontwikkelt zich tot een volwaardige uitwissseling van poëtische probeersels, analyses, beschouwingen en adviezen over metrum en ritme: een rijke bron voor de onderzoekers van het werk van de Groningse dichter, die postuum de erkenning krijgt waarnaar hij gedurende zijn lange leven hunkerde. Zijn verhuizing naar een kleiner pand noodzaakte Anton van der Vet plaats te maken in zijn boekenkast. Hij bracht de brieven van De Vries naar veilinghuis Burgersdijk & Niermans te Leiden. Dat brengt alle handgeschreven brieven en kaarten, met een aantal eerste versies van gedichten, op 26 mei onder de hamer.

“De eerste, zeer aardige brief bevatte meteen een hele tekstanalyse plus het aanbod om intermediair te zijn tussen mij en Groot Nederland. Goh, ik was 20, dus dat vond ik fantastisch!” vertelt Van der Vet temidden van de verhuisdozen. Hij doet een poging een portret te schetsen van zijn oude vriend en de contacten die hij tot de late jaren veertig met hem had. “Die oud-leraar, Geers, die ons met elkaar in contact bracht, was van oudsher een vrind van Hendrik de Vries. Geers was tot hispanoloog te Groningen benoemd en Hendrik hield vreselijk veel van Spanje. Van 1924 tot 1936, toen het daar donderen werd, bracht Hendrik ieder jaar zijn vakantie in Spanje door. Hij danste voortreffelijk Spaans. Hij had een kamer bij zijn ouders thuis - hij is heel laat getrouwd, in de 50 pas - aan de zonnige kant. Daarin had hij een vuurrood gordijn laten aanbrengen. Het woord robijnen komt volgens mij om die reden overal in zijn werk terug, een van zijn bundels heet ook Robijnen. En als hij dat vuurrode gordijn liet zakken, en de zon scheen, dan was dat voor hem aanleiding om te gaan dansen. De echte Spaanse dansen, wat hij fan-tas-tisch deed. Klikken met de hakken, en klappen! En daarbij flamenco's zingen. Copla's en flamenco's heeft hij bij tientallen vertaald. Van zijn grammofoonplatencollectie was ook praktisch alles Spaans.”

In een van zijn brieven rept De Vries van een "psychologisch systeem' om zijn slapeloosheid te bestrijden. “Dat bestond uit reciteren en dansen, in de nacht”, licht Van der Vet toe. “Om niet ten prooi te vallen aan muizenissen. Want die waren er genoeg in zijn leven. Hij is jaren geteisterd door een chef met wie hij niet kon opschieten. Als Hendrik de vakantie in Spanje voelde naderen, dan werd hij gespannen. Daar leefde hij naartoe. Dat merkte dan die chef, en die ging dan judassen, dat kon hij niet hebben. En hij heeft meer dan eens geschreven dat hij bang was op te drogen. Zo'n tekst is pure wanhoop. Vergeet niet: poëzie was zijn bestaansgrond. Dat baantje deed hij louter om den brode. En het schilderen vond hij een interessante hobby. Het dichten was absoluut zijn reden van op aarde zijn. En de poëzie kwam met golven. Dat ging dan een hele nacht door. Die eerste versies zijn praktisch in de slaap geschreven. Je ziet dat aan dat wonderlijke handschrift. Een correcte brief is prachtig leesbaar. Die geschreven zijn in een droom/waak-toestand, kan je nauwelijks ontcijferen.”

In verschillende van zijn brieven zegt De Vries veel te hebben aan de adviezen van zijn meer dan twintig jaar jongere collega. Van der Vet: “Hij heeft me eens geschreven: "Zoals wij elkander wederzijds van opmerkingen dienen, stemvork zijn van elkanders instrument, vervangen wij de op het gebied van dichtkunst onbestaanbare kunstacademie.' Dat is natuurlijk verdomde aardig om als oudere en ervaren man aan een jongeman te schrijven. Zijn inbreng in mijn denken moet aanmerkelijk veel groter zijn geweest dan mijn inbreng in zijn denken. Maar op den duur ging ik hem toch ook gewoon schrijven: dit vind ik niet zo geslaagd, of: dat klopt niet. En dan schreef hij terug dat dat inderdaad waar was en dat hij van mijn opmerkingen dankbaar gebruik maakte.”

Als in 1946 op een feest ter ere van De Vries' vijftigste verjaardag een liber amicorum verschijnt, waarin ook bijdragen van G.J. Geers, Halbo C. Kool, Reijnold Kuypers, A. Marja, Albert Redeker, J. Sluiter (directeur van een levensverzekeringsmaatschappij en Gronings mecenas), Ab Visser en Constant van Wessem, dan prijst de jubilaris in zijn laatste brief aan hem het artikel van Van der Vet: "(...) dat jouw bijdrage tot het boekje een van de beste, zoo niet de beste was. Hier alleen, of bijna alleen, wordt iets werkelijks over mijn poëzie gezegd.'

In één brief staat een opmerking die Van der Vet zich later wel eens heeft aangetrokken. Herman van den Bergh (1897-1967), een evenals De Vries in Het Getij gedebuteerde dichter, is volgens de afzender "zijn wezen ontrouw geworden' door op te houden met dichten en een baan te aanvaarden als redacteur buitenland van De Telegraaf. Ook Van der Vet werd journalist en hing na een vijftal boekpublicaties de lier aan de wilgen. “Kijk, ik was getrouwd en we kregen kinderen. Er moest brood op de plank. In 1950, '51 heb ik nog eens een kop koffie met Hendrik gedronken. Toen was ons contact al weggeëbd. Wat hij schreef over het zelfverraad van Herman van den Bergh heeft hij tegen mij nooit uitgesproken. Maar wel gedacht, denk ik. Zeker als je mekaar op grond van zo'n briefwisseling heel goed kent, dan zijn er elementen die je wel voelt, maar niet zegt.”

"Hendrik de Vries was een absoluut dichter', schreef Jan van der Vegt in deze krant, toen de dichter op 93-jarige leeftijd overleed. "Er zijn maar weinigen geweest - men denkt aan Achterberg, die hij ook zeer bewonderde - die zo overgegeven aan hun dichterschap geleefd hebben. Dat hij heel zijn werk uit het hoofd kende en daarbij nog veel van dichters die hij bewonderde, is meer dan een curiositeit. Het laat zien dat de poëzie met hem vergroeid was, dat het een geestelijk ademhalen was.'

Van der Vet bevestigt, dat Hendrik de Vries eindeloos kon citeren: “Hij kende de hele Vondel en de hele Bilderdijk letterlijk uit zijn hoofd. Hij kon desnoods een half uur citeren. Hij werd vaak getest, vooral op de sociëteit in Groningen. Dat heb ik gehoord uit kringen van de schrijver A. Marja, die veel aan De Vries te danken heeft en vaak door hem uit de put is geholpen. Misschien had De Vries die gave omdat hij zelf zo'n tobber was. Een introverte man, die veel klaagde over zijn zwakke gezondheid. Maar dat kwam misschien ook doordat hij tot zijn vijftigste vrijgezel is gebleven. Hij was zeg maar gewoon een mooie man. Hij kwam uit een uiterst streng gezin, in het opzicht van omgang met vrouwen. Hij heeft mij wel eens gezegd dat hij de erotiek verdrong tot z'n vakanties in Spanje. Hij was een van de boeiendste mensen die ik heb leren kennen. En ik heb er echt een paar gezien.

“Er was een vergadering in Groningen, toen in Duitsland de nazi's opkwamen. En een joodse student, die Max Ali Cohen heette, beklom het podium en zei dat het allemaal zo erg niet was en dat de Duitsers Kulturmenschen waren. Toen stond Hendrik de Vries op en zei voor de vuist weg: "Meneer Cohen, als het zo gaat als u het wilt, dan komen alle Max Ali's achter de tralies en alle Cohens over de grens.' A. Marja schreef ergens, dat in '44, na de bombardementen op Hannover en Hamburg, Hendrik de Vries gewoon tijdens een praatje een puntdicht à la Constantijn Huygens uit de mouw schudde: Vraagt iemand voor zijn onderricht, waar Hamburg of Hannover ligt, het antwoord lijkt mij licht gevonden, zij lagen waar zij eertijds stonden.”