Duisenberg waarschuwt voor valkuilen

AMSTERDAM, 27 APRIL. De president van De Nederlandsche Bank dr. W. Duisenberg presenteerde vandaag met zijn jaarverslag dé gids over 1992: “Een opmerkelijk, maar bepaald geen goed jaar”. Hij waarschuwde voor de valkuil waar Italiaanse en Britse politici afgelopen jaren zijn ingetrapt: het laten oplopen van de overheidsschuld om politieke redenen. Nederlandse politici staan op het punt in dezelfde valkuil te stappen.

In het jaarverslag van De Nederlandsche Bank is - afgezet tegen de zorgelijke situatie in de EG - veel positiefs over de Nederlandse economie te vinden. Minister Kok kan tussen de regels door een compliment lezen dat hij voor het tweede jaar het overheidstekort, vrijwel conform de doelstelling, omlaag heeft gebracht. Nederland scoorde op dit gebied na Denemarken het beste in Europa.

Nederland behaalde vorig jaar in de EG - na Frankrijk - de hoogste stijging van het bruto binnenlandse produkt (1,7 procent), Nederland kende de laagste werkloosheid (6,8 procent) en Nederland is het land dat het meeste geld opzij legt voor investeringen (13,6 procent van het bruto binnenlands produkt).

De lange rente (8,1 procent) en de inflatie (3,7 procent) lopen bovendien keurig in de pas met de eisen die in het Verdrag van Maastricht voor de Economische en Monetaire Unie zijn vastgelegd: een rente van maximaal 11,1 procent en een inflatie van 3,9 procent.

Duisenberg is overigens niet helemaal tevreden over die inflatie. Hij wijst erop dat een lagere loonstijging noodzakelijk is om de inflatie terug te dringen tot nul à twee procent. Bovendien “moet tevens worden gestreefd naar een minder sterke bijdrage van de kant van de overheid aan de prijsontwikkeling”, aldus Duisenberg. De inflatie wordt dit jaar immers, net als in 1992, veroorzaakt door de collectieve sector (inclusief de gezondheidszorg).

Positief is dat Nederland een onafhankelijker koers dan in het verleden vaart ten opzichte van Duitsland: de inflatie is geringer en de loonkosten zijn in Nederland gematigder. De Nederlandse rentevoeten liggen nu onder de Duitse als gevolg van de grote kracht van de gulden, aldus Duisenberg. Hij verwacht dat de conjuncturele neergang Nederland minder treft dan Duitsland.

In het verslag van De Nederlandsche Bank staan echter niet al deze schouderklopjes, maar de waarschuwingen centraal. In een toelichting op het vorige verslag waarschuwde Duisenberg Kok en de zijnen zich te hoeden voor vormen van boekhoudkundige cosmetica. Dit keer tekende hij aan dat de norm van het overheidstekort is behaald dankzij lastenverzwaringen en niet dankzij bezuinigingen.

De bankpresident maakt zich zorgen over het feit of Nederland zijn begrotingsdiscipline behoudt. Hij waarschuwde voor investeringen in de infrastructuur. In het verleden heeft het laten oplopen van tekorten bij conjuncturele tegenwind nauwelijks aan het herstel bijgedragen, maar wel meer dan tien jaar saneringen nodig gemaakt, aldus Duisenberg. Hij vindt dat Nederland de begrotingsdiscipline moet doorzetten.

Zelfs met Kok's voorgenomen 8 miljard bezuinigingsoperatie, kan Nederland niet aan alle eisen van de Economische Monetaire Unie voldoen. In het Verdrag van Maastricht staan behalve eisen over inflatie en rente (waar Nederland aan voldoet) en het jaarlijkse overheidstekort (waar Nederland dit jaar aan hoopt te voldoen), ook eisen voor de totale overheidsschuld.

De schuld mag in 1998 niet meer bedragen dan 60 procent van het bruto binnenlands produkt of moet “significant in die richting gaan”. Nederland zit met 79 procent in de Europese achterhoede. Alleen België, Italië en Griekenland torsen nog grotere schuldenlasten.

Wanneer Financiën de bezuinigingen in 1994 doorzet, valt het begrotingstekort (2,75 procent van het bruto binnenlands produkt) binnen de EMU-eisen (3 procent), maar de overheidsschuld blijft dan rond de 80 procent. “Handhaving van het tekort op 3 procent betekent dat de schuldnorm geen stap naderbij komt”, aldus Duisenberg.

De bankpresident rekent in het jaarverslag voor dat Den Haag binnen vier jaar het tekort van 3,8 procent over 1992 moet terugbrengen naar 1 procent. En dan nog zal de EMU-doelstelling pas in 2008 worden bereikt, ervan uitgaande dat de groei van de economie gelijk blijft en dat er 15 jaren van begrotingsdiscipline aanbreken.

Elke procent tekortreductie vergt, volgens directeur van De Nederlandsche Bank prof. A.H.E.M. Wellink, vijf à zes miljard gulden aan ombuigingen. Om volgend jaar op één procent te komen zou Kok niet 8 miljard, maar 18 à 20 miljard moeten bezuinigen.

Aan de hand van de normen van de Europese Monetaire Unie krijgt Nederland dan ook een onvoldoende. Een schrale troost is dat de andere belangrijke industrielanden in de EG ook geen voldoende behalen op de vier eisen ten aanzien van inflatie, rente, overheidstekort en overheisschuld.

Alleen de Denen, die zich per referendum zo afkerig van Europa betoonden, halen de EMU-normen, zij het soms met de hakken over de sloot (59 procent van het binnenlands produkt terwijl 60 het maximum is), even afgezien van de paar Luxemburgers die hun groothertogdom uitstekend op orde hebben.

Het onderwijs past bij slecht gemaakte tentamens de norm aan bij de gemiddelde student, maar daar wil Duisenberg pertinent niet aan. “Een solide EMU is belangrijker dan de datum van invoering”, aldus Duisenberg in de toelichting. Kunnen de landen niet aan de normen voldoen, dan moet de unie er maar later komen dan in 1998. Duisenberg vindt wel dat landen die ver achterblijven, zoals bijvoorbeeld Griekenland, er “wat langer over mogen doen” om toe te treden.