De logica van het kapitalisme

De economische crisis, die nu misschien al het dieptepunt voorbij is, moet volgens het Franse tijdschrift Lignes niet worden gezien als een afwijking, maar als een noodzakelijkheid die voortvloeit uit de logica van het kapitalistische stelsel. Het blad verwijt links dat het zich door deze logica heeft laten aansteken, in plaats van haar te bestrijden. Daarom verwachtte het blad begin dit jaar al dat de kiezers links uit de macht zouden wegjagen.

Deze stelling, die ik vorige keer op deze plek vermeldde (ik verwijs belangstellende lezers ook naar Le Monde van 18 maart), is niet nieuw. Ze doet direct denken aan de analyse van de man die de dynamiek van de produktiviteitsverhoudingen in de industriële economie het scherpst doorzag, Karl Marx. Volgens Marx moet het kapitaal van tijd tot tijd crises forceren om overtollige produktiecapaciteit te saneren die ontstaan is door overinvesteringen. Bovendien moet door de uitstoot van arbeidskrachten overbevolking worden gecreëerd, omdat het kapitaal behoefte heeft aan een groot reserveleger van werklozen waaruit het goedkoop arbeidskrachten kan recruteren.

Schumpeter, die een anti-Marxleer ontwikkelde, was toch ook van mening dat er in het stelsel van ondernemingsgewijze produktie zelfontbindende krachten besloten liggen. Creativiteit en innoverend vermogen vormen weliswaar de grote kracht van het stelsel, maar op den duur zouden die vermogens destructief gaan werken.

Om te kunnen overleven moet het kapitalisme zichzelf voortdurend vernieuwen. Dat proces verloopt niet ongestoord. Het gaat ook altijd ten koste van deelnemers aan het kapitalistische spel. De jongste recessie heeft vooral slachtoffers gemaakt in de geavanceerde sectoren van de economie: computers, consumentenelektronica, vliegtuigen, auto's - sectoren die juist door hun succes overinvesteringen hebben uitgelokt.

De geruststellende beeldspraak van bergen en dalen in de conjunctuur kan niet verhullen dat deze destructieve dynamiek gepaard gaat met kapitaalvernietiging op grote schaal, duurzaam verlies van arbeidsplaatsen en verarming van regio's en steden die door het kapitaal worden prijsgegeven.

Nederland is met zijn kleine, open economie, overgeleverd aan de ontwikkelingen in het buitenland. Het kan zich nauwelijks door zelfstandig sociaal-economisch beleid aan die ontwikkelingen onttrekken. Toch wekt het Centraal Planbureau (CPB) de indruk dat wij dat wel kunnen, als wij de lonen maar blijven matigen.

Aan de macro-economische modellen van het CPB liggen nauwelijks theorieën ten grondslag. De enige theorie, waarin ook het element "creatieve destructie' enigszins tot zijn recht komt, is het jaargangenmodel, dat in 1974 werd ontwikkeld door de CPB-medewerkers Den Hartog en Tjan. In dit model wordt een lineair verband gelegd tussen de reële arbeidskosten en de veroudering van kapitaalgoederen. Stijgen de arbeidskosten boven de opbrengst die de bestaande kapitaalgoederenvoorraad oplevert, dan zullen de oudere jaargangen worden afgestoten om te worden vervangen door nieuwe die minder arbeidsintensief zijn. Door de versnelde economische veroudering gaan dus arbeidsplaatsen verloren.

Deze eenzijdige relatie tussen loonkosten en werkgelegenheid beheerst nog altijd de prognoses over de beleidsadviezen van het CPB. Hoe groot de politieke invloed van het instituut is geworden, blijkt overduidelijk uit de adviezenaanvraag van het kabinet aan de Sociaal-Economische Raad. Het wil weten hoe de sociale partners, met het oog op de doelstelling de arbeidsparticipatie en de arbeidsmarkt te verbeteren, willen omgaan met het ontbreken van enige ruimte voor koopkrachtverbetering in de komende jaren.

Inmiddels is forse kritiek geleverd op de berekeningen van het Centraal Planbureau. In het economenvakblad Economisch Statistische Berichten bestrijdt A.B.T.M. van Schaik, hoogleraar algemene economie aan de Katholieke Universiteit Brabant de stelling van het CPB dat loonmatiging leidt tot vergroting van het Nederlandse marktaandeel in het buitenland. Hij vindt het ook zeer de vraag of de investeringsquote zal stijgen als gevolg van voortgezette loonmatiging. Een beperkte koopkrachtontwikkeling zal naar zijn mening immers de afzetverwachtingen en daarmee de investeringsbereidheid negatief benvloeden. Bij lage lonen zullen er wel banen bijkomen, geeft hij toe, maar dan vooral in arbeidsintensieve sectoren. Daardoor zal de produktiviteitsgroei in Nederland achterblijven bij die in het buitenland.

Ik denk dat de traditionele beleidsadviezen van het CPB geen afdoend antwoord geven op de "logica van het kapitalisme'. Dat antwoord is in elk geval niet te vinden in defensieve loonmatiging over de hele linie, maar eerder in beleidsmaatregelen die de flexibiliteit van de loonvorming en de arbeidsmarkt bevorderen.