Bigamie of geen bigamie?

Vredig tafereel in de hal van het Amsterdamse gerechtsgebouw: een zwangere Surinaamse vrouw wacht met haar Marokkaanse man op het begin van haar rechtszaak. Zij pleegt rustig overleg met haar advocate, hij leest de sportpagina van een populair ochtendblad.

Zo gewoon als het echtpaar er uitziet, zo ongewoon is de aanklacht die tegen de vrouw is uitgebracht: zij zou zich schuldig hebben gemaakt aan bigamie. “Een bijzonder zwaarwegend feit”, zal de officier van justitie later tegen haar zeggen.

Sonja Kogeldans, nu 23 jaar oud, trouwde op 14 februari 1992 met haar Marokkaanse vriend. Het echtpaar trok in bij de moeder van Sonja. Op 30 juni 1992 sloot Sonja - volgens de telastlegging - een tweede huwelijk met een andere Marokkaanse man. Deze Marokkaan verbleef illegaal in Nederland en hoopte via een huwelijk een vaste verblijfsvergunning te krijgen.

“Hoeveel wilde hij u betalen?” vraagt de officier van justitie, mr. J. Wortel.

“Achtduizend gulden”, zegt Sonja. “Tweeduizend gulden vooruit en tweeduizend gulden voor de tussenpersoon.”

Sonja ging met haar nieuwe Marokkaanse "vriend' op 2 juni naar de Burgerlijke Stand. Ze nam het paspoort van haar moeder mee en gaf dat aan de ambtenaar die de gegevens overnam. De ambtenaar vroeg zich kennelijk niet af hoe het mogelijk was dat de vrouw die voor hem stond zoveel jeugdiger oogde dan de vrouw in het paspoort. En dus kon Sonja op 30 juni op het stadhuis onder de naam van haar moeder - zelf ongehuwd - officieel wederom in het huwelijk treden.

“Het kwam uit toen uw moeder het ontdekte”, constateert de officier. “U wist dat je geen dubbel huwelijk mag sluiten?”

“Ik heb het gedaan voor mijn moeder”, zegt Sonja. “Ze had het financieel moeilijk en kreeg geen steun van de familie.”

“Heeft u het geld gekregen?”

“Nee. Die man en ik moesten naar de vreemdelingenpolitie voor stempels. Hij heeft er één gekregen, maar toen kwam mijn moeder erachter.”

“En uw moeder was zeer nijdig?”

“Nu gaat het wel, maar ze was toen wel kwaad, ja.”

“U woont niet meer met uw man bij haar?”

“Nee.”

De toon van de officier wordt een tikkeltje scherper. “Die Marokkaanse man heeft tegen de politie gezegd dat hij u wel degelijk 2.000 gulden heeft gegeven.”

“Ik heb niks gekregen. Want op dezelfde dag dat wij naar de vreemdelingenpolitie gingen, ontdekte mijn moeder het.”

“Hij zegt dat hij u 2.000 gulden heeft gegeven voor ondermeer de telefoonaansluiting op uw nieuwe adres.”

“Ik heb nooit een telefoonaansluiting gehad.”

De officier noemt Sonja's handelwijze "nogal kwaadaardig'. In zijn ogen is zij een bigamiste en heeft zij een ambtenaar van de Burgerlijke Stand ertoe aangezet een huwelijksakte te vervalsen door hem een verkeerde naam op te geven. De officier schetst de gevolgen die dit alles voor de moeder van Sonja had kunnen hebben. De moeder had gekort kunnen worden op haar bijstandsuitkering en op haar huursubsidie. “Bovendien heeft u heel bewust bevorderd dat iemand die niet in Nederland mag blijven, dat op ondeugdelijke wijze toch zou doen.”

Sonja verdient gevangenisstraf, vindt de officier. Maar hij is bereid die straf om te zetten in een aantal uren onbetaalde arbeid (dienstverlening). Zijn eis: drie maanden onvoorwaardelijk of 120 uur onbetaalde arbeid.

Het klinkt niet onredelijk wat de officier te berde heeft gebracht - totdat de advocate van Sonja, mr. B. Ficq, haar pleidooi mag houden. Hoewel zij het dossier pas drie dagen tevoren onder ogen kreeg, weet zij feilloos de zwakke plek in de redenering van de officier te treffen. “Sonja zou een dubbel huwelijk zijn aangegaan”, zegt zij, “maar dat is niet zo. Er is volgens de wet pas sprake van bigamie als ook het tweede huwelijk op háár naam zou zijn afgesloten. Maar dat is juist niet het geval: het is op naam van haar moeder afgesloten.”

Het enige wat Sonja verweten kan worden, aldus haar advocate, is het oplichten van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. De rechter kan volstaan met een waarschuwing in de vorm van een voorwaardelijke straf, vindt mevrouw Ficq.

De officier hoort haar betoog ijzig aan. “Heel kort: dit is onzin”, bitst hij. “Als de rechter dit gemotiveerd vindt, dan ga ik mevrouw Kogeldans senior vervolgen.”

“Ik heb niet willen betogen dat de moeder van mijn cliënte strafbaar is”, zegt de advocate haastig. “Ik wil alleen maar zeggen dat hier geen sprake is van een dubbel huwelijk op één naam - en dat wordt mijn cliënte verweten.” Volgens haar zijn hier twee enkelvoudige huwelijken in het geding: één op naam van de dochter en één op naam van de moeder.

De politierechter, mevrouw mr. R. Faber, blijkt het met haar eens te zijn. Eerst aarzelt ze. “Ik zal schriftelijk uitspraak doen”, zegt ze. Maar één tel later bedenkt ze zich: “Nee, ik doe het toch maar nu. Ik acht de bigamie niet bewezen. Het is zeer de vraag of de akte die op naam van uw moeder is gegeven, u in het huwelijk heeft kunnen doen treden.” Ze veroordeelt Sonja alleen voor het misleiden van de ambtenaar: twee maanden voorwaardelijk.

Of er nog iemand in hoger beroep wil, vraagt de rechter.

“Mijn cliënte doet afstand”, zegt de advocate.

“En de officier?”

“Die beraadt zich.” De officier kijkt er bij als het beste jongetje van de klas dat voor één keer het verdriet van een onvoldoende ervaart.

En Sonja? Zij gaat voldaan heen. Zonder het te beseffen, heeft zij een briljante variant op de bigamie gevonden: zij pleegde bigamie zonder bigamiste te worden.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.