A.B.M. FRINKING; Met zijn minister kan hij lezen en schrijven

DEN HAAG, 27. APRIL. Het Tweede Kamerlid A.B.M. Frinking (CDA), de nieuwe staatsecretaris op Defensie, heeft met minister Ter Beek een aantal zaken gemeen: in het verleden absoluut tegen de plaatsing van kernwapens in Nederland, in de latere jaren van zijn Kamerlidmaatschap veel weg naar internationale bijeenkomsten, een warm gevoel voor de "mannen' van de krijgsmacht en, tegen het verzet van fractieleden in, voorstander van afschaffing van de dienstplicht. Ook bij Ter Beek verdween de aanbeveling van de Commissie-Meijer om de dienstplicht te handhaven onmiddellijk in een la.

Ton Frinking, op 1 februari 1931 in Groningen geboren, kwam na een militaire carrière, die niet al te glorieus eindigde als overste bij het het pantser-infanteriebataljon Johan Willem Friso in Duitsland, op 22 december 1977 in de Tweede Kamer. Samen met J. de Boer raakte hij bekend als lid van het duo "de Fribo's' dat felle oppositie voerde tegen een meerderheid van de CDA-fractie. Deze was absoluut vóór plaatsing van kernwapens voor de middellange afstand in Nederland. Minister-president Lubbers omschreef hun houding op 4 februari 1983 "als nationalistisch en defaitistisch'.

Lubbers was van mening dat de Kamerleden te weinig vertrouwen hadden in de wapenbeheersingsbesprekingen in Genève tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Later, in 1987, leverden deze wel degelijk resultaat op en was plaatsing ineens niet meer aan de orde. In een interview met deze krant zei Frinking op 15 december 1987: “Als troepencommandant vond ik in 1976 in Duitsland al dat bij commando-oefeningen te weinig werd afgewogen wat de inzet van nucleaire wapens betekende. Zeker de kortedrachtswapens zijn krengen van dingen.”

Frinking kent de Landmacht, het krijgsmachtdeel dat door de nieuwe beleidsplannen van minister Ter Beek voor de helft wordt afgeslankt en voor de andere helft gemoderniseerd, door en door. Hij ging naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda en volgde de Hogere Krijgsschool in Den Haag. Hij geldt als expert op het gebied van systeemanalyse bij automatiseringsprojecten. Jarenlang was hij in de Kamer woordvoerder over defensie-onderwerpen, maar de laatste tijd concentreerde hij zich op het begeleiden van "nieuwe kweek' bij het CDA. Die rol als oppasser lag hem.

Bij het aantreden van het nieuwe kabinet in november 1989 had hij niet al te heimelijk op het staatssecretariaat van defensie gerekend. Hij meende dat hij als oud-militair en als voorzitter van de NAVO-Assemblée zoveel ervaring had opgedaan dat formateur Lubbers hem maar moeilijk zou kunnen passeren.

Nu draait hij toch nog het laatste jaar mee. Net als de onlangs benoemde minister Kooijmans van Buitenlandse Zaken is hij minder star dan zijn voorganger. Met de CDA-fractie zal hij goede contacten weten te onderhouden. De katholieke kern in het CDA heeft weer eens een eigen kandidaat, terwijl dat bij de benoemingen van de opvolgers van Braks en Van den Broek niet gebeurde.

Met Ter Beek kan hij lezen en schrijven. Vele gezamenlijke, ook nachtelijke uren doorgebracht in hotels ver buiten de landsgrenzen komen hem daarbij van pas. Met materieel voor het leger heeft hij zich lange tijd bezig gehouden als parlementair controleur en expert. Voor zijn nieuwe taak geldt misschien zijn oude wapenspreuk uit 1982: “Vrede en veiligheid vragen om hard werken met veel inzet en fantasie en naar de bevolking toe meer openheid en uitleg.”