Thomas Klestil ontbrak bij opening Holocaust Museum; Oostenrijk inspireerde Heydrich

Bij de opening van het Holocaust Memorial Museum in Washington op 22 april ontbraken twee staatshoofden, die daar niet hadden mogen wegblijven: de Duitse bondspresident Richard von Weizsäcker en zijn Oostenrijkse tegenhanger Thomas Klestil. Wel waren leden van de regeringen van deze twee staten aanwezig: Duitslands minister van buitenlandse zaken Kinkel en Oostenrijks minister van justitie Michalek. Maar de volkeren Duitsland en Oostenrijk, waaruit de mensen zijn voortgekomen die de volkerenmoord op joden en onder de nazi's onwelgevallige volksgroepen hebben uitgevoerd, hadden vertegenwoordigd moeten zijn door hun hoogste representatieve persoonlijkheden. Het is onbegrijpelijk dat dit in Bonn en Wenen niet is beseft.

Beide heren zijn niet zonder reden thuisgebleven. Weizsäcker ging niet omdat in dit museum tot de bouw waarvan het Amerikaanse Congres in 1980 besloot en waarvoor particulieren 168 miljoen dollar bij elkaar brachten, geen aandacht wordt gegeven aan het Duitse verzet tegen de nazi's en aan de ontwikkeling van de democratische Duitse rechtsstaat na 1945. Een treurig argument. Het museum herinnert aan een van de grootste misdaden uit de geschiedenis van de mensheid en niet aan het land van Adenauer en Willy Brandt.

In een deel van de Duitse pers zijn nog stuitender redenen genoemd, waarom de aanwezigheid van de president niet op haar plaats zou zijn geweest. Der Spiegel en Stern kritiseerden het "business'-karakter van de holocaust-herdenkingen. De Beierse televisie haastte zich haar kijkers te informeren over kritiek op het museum uit joodse kring. Intussen is uit commentaren en reacties (onder andere in The New York Times) wel duidelijk geworden dat het museum een overtuigende en schokkende presentatie geeft van de genocide, ten dele met authentieke voorwerpen uit enige vestigingsplaatsen van de nazimoordindustrie: Auschwitz, Maidanek, Maudhausen, Bergen-Belsen.

Weizsäcker had niet mogen ontbreken. Maar helemaal geldt dit voor de Oostenrijkse president Klestil. De Westduitse Bondsrepubliek heeft na de Tweede Wereldoorlog de verantwoordelijkheid op zich genomen voor de misdaden die het Derde Rijk had begaan. De denazificatie mag verre van volmaakt zijn geweest, er werden wel herstelbetalingen door West-Duitsland gedaan, zowel aan Israel als aan vele in de wereld verstrooide individuele slachtoffers van de naziterreur. In het onderwijs werd in elk geval geprobeerd de misdaden in het eigen verleden te behandelen. Een heel aantal historici publiceerde grondige studies over alle aspecten van het leven in het Derde Rijk.

In Oostenrijk gebeurde dat niet. De Tweede Republiek beschouwde zich op geen enkele manier als opvolgster van het nazi-regime. Genspireerd door het fameuze Amerikaans-Brits-Russische Moskouse memorandum van november 1943, dat Oostenrijk het eerste slachtoffer van nazi-agressie noemde, zag men zich als slachtoffer, niet als dader. Pogingen om het aandeel van Oostenrijkers in de nazimisdaden te onderzoeken of naar voren te brengen werden als onvaderlandslievend afgedaan.

Oostenrijks nazi-verleden was onder de mat geveegd en daar lag het jarenlang rustig en ongestoord, want ook in het buitenland concentreerde men zich op de verantwoordelijkheid van de Duitsers voor de nazi-misdaden. Van 1970 tot 1983 had Oostenrijk bovendien een joodse ex-immigrant, Bruno Kreisky als bondskanselier, waaruit leek te kunnen worden opgemaakt dat het land zich bewust van zijn verleden als Ostmarkt van het nazi-rijk had afgekeerd.

Pas door de heilzame rel rondom de kandidaat voor het presidentschap Waldheim, die zei het als zijn plicht te hebben beschouwd in Duits uniform aan Hitlers veroveringsoorlogen deel te nemen en beweerde niets te hebben gemerkt van deportaties die zich praktisch onder zijn neus hadden afgespeeld, ontdekte de wereld dat er een Oostenrijks probleem was. Nog duidelijker werd dit toen het Oostenrijkse volk in een woedende reactie op de internationale kritiek op Waldheim deze meeloper, die geen fanatieke nazi was geweest maar wiens houding typerend was voor het gedrag van het merendeel der Oostenrijkers, in 1986 met een flinke meerderheid tot zijn staatshoofd koos.

De Waldheim-rel was heilzaam, want sindsdien hebben Oostenrijkse politici eindelijk openlijk betreurd dat ook heel wat van hun landgenoten zich aan nazi-misdaden hebben schuldig gemaakt, zoals bondskanselier Vranitzky in 1991 in het parlement in Wenen heeft gezegd. Bondspresident Klestil, en dat sierde hem, zei hetzelfde tijdens zijn bezoek aan Nederland in november vorig jaar. Bovendien verschenen er nu eindelijk diepgaande studies over de bijdrage van Oostenrijkers aan het moorden van de nazi's.

Een daarvan, "Die Eichmann-Männer' van Hans Safrian, begin dit jaar bij het Europa-Verlag in Wenen verschenen, maakt duidelijk dat Klestil bij de opening door president Clinton van het Holocaust Memorial Museum absoluut aanwezig had moeten zijn. Het aandeel van Oostenrijkers in de holocaust was namelijk overweldigend groot. Bekend was al dat in verhouding met de Oostenrijkse bevolking een onevenredig groot aantal Oostenrijkers bewakers, beulen, commandanten van concentratiekampen waren geweest. Ook stond in het standaardwerk over de shoah van de in Wenen geboren Amerikaan Raul Hilberg al te lezen dat Seiss-Inquart en zijn Donau-groep in Nederland de jodenvervolging zo voortvarend bedreven (in gemengde huwelijken levende joden dwongen zij tot sterilisatie, anders werden zij gedeporteerd) dat zij door Berlijn werden teruggefloten, omdat de nazi's niet wilden dat een van de bezette gebieden vooruit liep op het Reich.

Safrian toont nu ook nog aan dat Eichmann en zijn op twee na uitsluitend uit Oostenrijkers bestaande "Centralstelle für Jüdische Auswanderung' in Wenen al vanaf het Anschluss-jaar 1938 zulk efficiënt en baanbrekend werk verrichtte dat Berlijn het "Wiener Modell' overnam. Zoals bekend bleven Eichmann en zijn mannen sleutelfiguren in de deportatie van joden en van zigeuners uit Griekenland, Hongarije, Slowakije en Frankrijk.

De vroege "successen' van Eichmann in Wenen kwamen niet uit de lucht vallen. De Amerikaan Bruce Pauley heeft dezer dagen het resultaat gepubliceerd van dertien jaar onderzoek: "Eine Geschichte des Östereichischen Antisemitismus', een schokkend relaas waaruit blijkt hoe breed en diep het antisemitisme in Oostenrijk verbreid was, ook voor de Anschluss. De avond voor het binnenmarcheren van de Duitse troepen op 12 maart 1938 waren de Weense nazi's al op eigen inititatief tot het terroriseren, plunderen, mishandelen en beroven van joodse medeburgers overgegaan.

Duitse inspiratie was hier voor niet nodig. Het tegendeel was waar. De Duitse autoriteiten (Heydrich) namen in de dagen na de Anschluss zelfs maatregelen tegen de chaotische "wederrechtelijke' inbeslagnemingen en arrestaties door het brullende en gillende gespuis dat met hakenkruisbanden om de arm de stad terroriseerde. (Wie genteresseerd is in een ooggetuigeverslag raadplege de boeiende memoires van Carel Zuckmayer).

Dit alles had reden genoeg moeten zijn voor de president van de huidige democratische rechtsstaat Oostenrijk om naar Washington te reizen en nog eens internationaal te demonstreren dat het Oostenrijkse volk zijn aandeel in de schuld aan de shoah erkent.

Er is nog een reden. Omdat de Oostenrijkse staat zich na 1945 als nazi-slachtoffer opstelde en geen verantwoordelijkheid erkende voor de nazi-misdaden weigerde men de slachtoffers schadeloos te stellen. Wel betaalde de Oostenrijkse regering steun- en andere uitkeringen aan burgers die in de nazitijd hadden geleden en werden sommige verloren gegane bezittingen (voor een deel met geld van de Westduitse Bondsrepubliek) vergoed.

Aanvankelijk ging het hierbij uitsluitend om Oostenrijkse burgers die om politieke redenen verzet tegen de nazi's hadden gepleegd. Later werden ook uitkeringen betaald aan mensen die uit rascisme waren vervolgd. Lange tijd gold dit weer niet voor diegenen die geen Oostenrijkse staatsburgers waren. Pas na de zoveelse amendering van de wet konden ook ex-Oostenrijkers, die de nazi's hadden weten te ontlopen en naar het buitenland waren gevlucht en daar waren gebleven, uitkeringen krijgen.

Maar omdat de Oostenrijkse regering na 1945 ervan uitging dat Oostenrijkers geen daders maar slachtoffers waren geweest begonnen ook al gauw betalingen te vloeien naar teruggekeerde Wehrmachtsoldaten, oud-SS'ers en al die ex-nazi's, die in 1947 als "minder belast' werden ingeschaald en na 1945 als nationaal-socialisten "slachtoffer' waren geworden van geallieerde maatregelen.

Een ander kort geleden verschenen boek "Wiedergutmachung kein Thema' van Brigitte Bailer vertelt met wetenschappelijke nauwgezetheid het onhutsende verhaal over de inspanningen van regering en parlement in Wenen om de Oostenrijkse nazi's na 1945 weer te integreren, van vervolging te vrijwaren en pensioenrechten etcetera voor dienst in de nazitijd te verzekeren, terwijl de echte nazi-slachtoffers voor hun vaak magere uitkerinkjes moeizaam slag moesten leveren met de bureaucratie.

Tot 1955, toen Oostenrijk bij het staatsverdrag zijn soevereiniteit terugkreeg, moest de door het voorlopige Oostenrijkse parlement aangenomen wetgeving gelukkig goedgekeurd worden door de Geallieerde Raad. De ene Oostenrijkse wet na de andere, die beoogde oud-nazi's te bevoordelen, werd door deze raad afgekeurd. Tegelijkertijd moesten de geallieerden geregeld aandringen op steunmaatregelen voor de echte nazi-slachtoffers.

Brigitte Bailer geeft aan het eind van haar boek twee typerende, hoewel extreme voorbeelden van Oostenrijkse nazorg voor ex-nazi's. Eichmanns rechterhand Alois Bruner woont tot op de dag van vandaag probleemloos in Syrië, waar hij zelfs af en toe interviews heeft gegeven. Hem uitleveren doet dit land niet. Zijn vrouw ontvangt in Oostenrijk weduwepensioen als nabestaande van een "vermiste' overheidsdienaar. Walter Reder, als massamoordenaar in Italië tot levenslang veroordeeld, maar in 1985 vrijgelaten (de Oostenrijkse minister van defensie ging hem afhalen op het vliegveld) ontving in zijn Italiaanse gevangenis vanaf 1967 een uitkering volgens de wet op voorzieningen voor oorlogsslachtoffers.

Dergelijke voorbeelden, die maar al te zeer passen in een patroon waarbij daders, medeverantwoordelijken en meelopers meer officiële generositeit hebben ervaren dan de echte nazislachtoffers, zijn oorzaak van de verbittering die laatstgenoemden, nu uiteraard een uitstervende groep vaak laat blijken (dat bondskanselier Vranitzky na verschijning van bovengenoemd boek nu heeft gezegd alsnog iets aan schrijnende gevallen te willen doen verandert, 48 jaar na het einde van de oorlog, hieraan niets meer).

Klestils aanwezigheid in het Holocaust Memorial Museum op 22 april had die verbittering misschien iets kunnen verzachten. Dat was belangrijker geweest dan het aparte bezoek aan president Clinton, dat Klestil had willen brengen. Alleen omdat Clinton nu geen tijd voor hem had zei Klestil de opening van het Holocaust Memorial Museum maar af.