SKIFFEUR HOUDT NIET VAN MEELIFTEN

Pepijn Aardewijn heeft vier procent vet om zijn spieren zitten. Wat weinig, een beetje ongezond, zegt hij zelf. Maar hij is een "lichte' roeier en wil ook "zware' roeiers kunnen verslaan. Zijn minimale vetpercentage is het offer dat hij brengt. Met een conditie van Steven Rooks in zijn topdagen werd hij gisteren in de Randstad Regatta tweede achter Henk-Jan Zwolle.

Hij past niet in een ploeg, moet alleen in de boot. In de skiff. Zijn gedrag is het gedrag van een topsporter, zegt zijn coach Paul Hartog. “Hij was egocentrisch, wilde het allemaal alleen doen en verziekte het dan voor zijn ploeg.” Pepijn Aardewijn kan er niet mee zitten: “Ik ben een beetje een schreeuwlelijk. Als het slecht gaat, laat ik dat weten.” In een ploeg winnen, noemt hij "meeliften'. De roeiers van de Holland Acht hebben het ooit geprobeerd in de skiff. Voor de acht hebben ze, volgens Aardewijn, “duidelijk een stapje terug gedaan”.

Zijn coach noemt hem een zeldzaam talent, zo één dat eens in de tien jaar opstaat. Aardewijn kan absoluut niet tegen zijn verlies, traint zeer consciëntieus én wist op zijn zeventiende al dat zijn studie ook belangrijk was. Daarom deed ook de coach concessies. Hartog trainde alleen junioren, maar maakte voor Aardewijn een uitzondering. Hij vindt dat je iemand maximaal drie jaar moet begeleiden, maar coacht Pepijn al voor het zesde achtereenvolgende jaar. “Omdat het nog één keer beter kan op een wereldkampioenschap, doe ik het. Volgend jaar moet hij een andere coach zoeken. Ze staan voor hem in de rij”, zegt Hartog.

Pepijn Aardewijn is 22 jaar, woont in Amsterdam, studeert biologie en weet, net als vrijwel alle toproeiers, precies hoe hij traint en waarom. Serieuze opmerkingen - over krachttraining en kippevel - en grappen over concurrenten brengt hij op dezelfde onderkoelde toon. Bij de grappen glinsteren zijn ogen. Zijn lichaam is afgetraind, 1.89 meter lang en 75 kilo zwaar. Later in het seizoen moet daar nog drie kilo af om als "lichte' roeier te mogen starten. Hij heeft lange, gespierde armen en benen. Zijn kleren zitten in een grote oranje sporttas met "Nederland' erop.

Vorig jaar won Aardewijn zilver op het wereldkampioenschap voor lichte skiffeurs in Montreal, waar de Deen Ernst hem in de allerlaatste meters van een twee-kilometerwedstrijd nog versloeg. Dit jaar richt hij zich wederom op het WK, in het Tjechische Roudnice, en start hij daarvoor in Keulen, Duisburg en Luzern. Gisteren, in de Randstad Regatta op de drukbezochte Bosbaan, ontbrak de man die hij zal opvolgen, Frans Göbel, wereldkampioen lichte skiff in 1989 en 1990. Maar Henk-Jan Zwolle, een paar centimeter langer, bijna twintig kilo zwaarder en oud-wereldkampioen in de dubbeltwee, won overtuigend met vijf seconden voorsprong, al is dat slechts de helft van het gebruikelijke verschil tussen een "lichte' en een "zware' roeier.

“Ik moet hem kunnen verslaan”, zegt Aardewijn na de wedstrijd over Zwolle. Talent, zo vindt hij, is maar een heel klein onderdeel van roeien. Hard roeien is afhankelijk van kracht, uithoudingsvermogen, techniek en mentaliteit. Iedereen die zich honderd procent voor de sport geeft, wat geluk heeft en de juiste route volgt, moet de top kunnen halen. Lichte roeiers kunnen het verschil met zware roeiers overwinnen, het natuurlijke tekort aan kracht kunnen ze compenseren, vindt hij. “Ik heb vorig jaar in de skiffhead van Zwolle gewonnen en heb ook Ronald Florijn en Koos Maasdijk wel eens verslagen.” Hij geeft een ander voorbeeld. De Australiërs Peter Anthony en Steven Hopkins hebben licht geroeid en wonnen op de Spelen in de dubbeltwee met meer dan drie lengtes van Zwolle en Rienks.

Aardewijn zat een maand geleden met dertig toproeiers in Mexico voor een door de wereldroeibond betaald trainingskamp in Xochimilco, een baan die is aangelegd voor de Olympische Spelen van 1968. Göbel, Zwolle en skiffeuse Laurien Vermulst hadden bedankt. “Ik wilde wel. Het leek me lekker warm”, zegt Aardewijn. Hij maakte er vrienden onder de roeiers en kreeg ruzie met officials. Voor de Mexicaanse wedstrijd in het kader van de World Cup - een circuit van zes skiff-wedstrijden met een eerste prijs van 15.000 Zwitserse franken - waren slechts vier inschrijvingen van echte World-Cuproeiers, toppers op de laatste Spelen. “Die baan ligt op 2000 meter hoogte, dat kost twee weken aanpassen en daar hebben roeiers, amateurs, geen tijd voor. Het stelde sportief en publicitair geen flikker voor. Het waren "shitty rowers', zo zei ik op een atletenvergadering. Australische coaches voelden zich aangesproken.”

Een wedstrijd is twee kilometer lang. Aardewijn concentreert zich de eerste kilometer op het roeien, luistert naar zijn coach die af en toe tempo's (aantal halen per minuut) en kleine technische aanwijzingen roept. Hij let op de posities van zijn tegenstanders en op zijn techniek. Vanaf duizend meter wordt het zwaarder en zwaarder, wordt het zo hard mogelijk en zo effectief mogelijk trappen. Het geschreeuw van de coach komt niet meer aan. “Ik ben moe, ik trek dat allemaal niet meer wat je nu bazelt”, denkt hij dan. De laatste vijfhonderd meter begint de ellende, beginnen zijn benen te branden. Dan is het louter trappen. Hij krijgt dan ook het idee dat hij de boot helemaal niet meer voortbeweegt. En de laatste tweehonderdvijftig meter krijgt hij kippevel. Als het goed gaat, want gisteren ontbrak dat kippevel, zodat hij weet dat het nog seconden harder moet kunnen.

Hij heeft nog geen echte eindsprint in huis. Daarom volgt hij krachttraining in een sportschool waar, zo vertelt hij, ook Marco van Basten wel eens komt. Het is een "uitputtingsschema' dat veel intensiever is dan gebruikelijk voor roeiers. Bondscoach René Mijnders heeft al zijn twijfels geuit over de intensiteit, maar Aardewijn en Hartog vertrouwen er op. Hoewel hij direct opmerkt dat het nut van krachttraining grotelijk wordt overschat, wil Aardewijn het proberen. “De roeibond en de bondscoach zijn niet zo snel met het accepteren van nieuwe ideeën. Ik was dat ook niet, maar je moet gewoon met je tijd mee”, geeft hij als verklaring.

De meeste roeiers maken zestig tot tachtig "herhalingen' met 50 procent van het maximale gewicht dat ze omhoog kunnen krijgen. Aardewijn maakt zoveel mogelijk herhalingen met 90 procent van zijn maximale gewicht, vervolgens zoveel mogelijk met 45 procent en gaat tot slot dezelfde spieren nog eens belasten zonder gewichten. Eén oefening bestaat uit negentig tot honderddertig herhalingen. Hij doet twee of drie oefeningen.

Testen bewijzen voorlopig zijn gelijk, vindt Aardewijn. Hij heeft een conditie van Steven Rooks en Axel Koenders in hun topdagen. “Ze hebben daar een machine met een bepaald maximum dat alleen door Rooks en Koenders gehaald was. En afgelopen woensdag toevallig door mij.”

De consequentie is dat hij geen vet meer over heeft. Hij heeft - met de hand gemeten - vier procent vet. Normaal is tien tot twaalf procent vet voor zware en zes tot acht voor lichte roeiers. Hoe minder vet, hoe lichter je kan zijn met behoud van spieren. “Het is niet gezond, maar daar slik ik preparaten voor. Aminozuren en vitamines.” Door het lage vetpercentage herstelt hij minder snel, heeft hij minder reserves. “Als je zwaar traint en je reserves zijn op, dan ga je op je spieren interen, spieren verbranden. Dat is zonde. Daar heb je ze niet voor gemaakt.”