Oost-Europa Bank richt haar blik op kleinere bedrijven; Midden- en kleinbedrijf is door geringe omvang niet interessant voor buitenlandse geldschieters

LONDEN, 26 APRIL. Cokolàdovny, het grootste voedingsmiddelenconcern van Tsjecho-Slowakije, zorgde vorig jaar voor belangrijk nieuws. De overname door BSN/Nestlé, per 1 januari 1992, betekende de op een na grootste privatisering in het land sinds de val van het communistisch bewind. BSN/Nestlé is met een belang van 52 procent de grootste aandeelhouder; de rest is in handen van de Tsjechische Investeringsbank (3 procent), een onbekend aantal Tsjechen dat aandelen heeft gekocht na de uitgifte van vouchers, en van de Oost-Europa Bank (EBRD), die 12 procent van de aandelen bezit.

Cokolàdovny past perfect bij de strategie die de Oost-Europa Bank heeft uitgezet voor dit jaar: meer aandacht voor het midden- en kleinbedrijf in Oost-Europa. Reden hiervoor is, volgens het vorige week gepresenteerde jaarrapport, dat de kleine en middelgrote ondernemingen het extra zwaar hebben op de weg van plan- naar markteconomie omdat zij door hun geringe omvang niet interessant zijn voor buitenlandse geldschieters. Niet dat Cokolàdovny, met 8.500 werknemers, tot de kleine bedrijven behoort, maar het wijst aandeelhouder EBRD wel de weg naar enkele tientallen toeleveranciers die wèl tot het midden- en kleinbedrijf worden gerekend, aldus topman Max Berger van het concern.

Groot probleem bij steun aan het midden- en kleinbedrijf is het vinden van geschikte financieringskanalen, volgens Ron Keller, het Nederlandse lid van de Board of Directors van de Oost-Europa Bank. “We moeten geld geven via lokale banken, want we kunnen moeilijk vanuit Londen de groenteboer in Boedapest financieren. Het probleem daarbij is dat het bankwezen in Oost-Europa slecht functioneert, onder meer door gebrek aan toezicht.” Tot nu toe heeft de EBRD de steun aan het midden- en kleinbedrijf geregeld via Westerse banken met filialen in Oosteuropese landen, zoals de ING-Bank en de Franse Société Générale, maar die weg wordt toch beschouwd als een tussenoplossing, volgens Keller. “Daarom moeten we eerst steun geven aan financiële instellingen in Oost-Europa voor we het midden- en kleinbedrijf goed kunnen helpen.”

“Een belangrijke vraag bij de financiering van projecten”, zo gaat Keller verder, “is of we dat moeten doen via een lening of via aandelenparticipatie.” Bij de 54 projecten die de bank vorig jaar goedkeurde, ging het in twaalf gevallen om deelname en in 42 gevallen om leningen. “Aandelen bieden het voordeel dat je beter toezicht kunt houden”, volgens de Nederlandse vertegenwoordiger. “Dat is bij voorbeeld belangrijk met het oog op de milieu-eisen die we stellen aan projecten.” Thans is ongeveer zeven procent van het vermogen van de EBRD belegd in aandelen en dat percentage mag oplopen tot dertig procent. “Het nadeel van aandelenparticipatie is wel dat er meer risico aan verbonden is dan aan leningen”, aldus Keller. “Bovendien ontvang je als aandeelhouder geen inkomen uit rente. En dat raakt het eigen vermogen van de Oost-Europa Bank.”

Behalve door de opzet van een betrouwbare financiële sector wil de Oost-Europa Bank het midden- en kleinbedrijf ook steunen door verbetering van de infrastructuur. Probleem bij dergelijke openbare projecten, volgens Keller, is dat de Oost-Europa Bank als kredietverlener moeilijker garanties krijgt. “Een autoweg levert geen dollars op, dus vraag je de overheid om zich garant te stellen dat ze de lening over een aantal jaar terugbetaalt. En met name in Rusland levert dat problemen op.” De weigering van Moskou om garanties af te geven betekent dat voor Rusland geen infrastructurele projecten kunnen worden goedgekeurd.

Hoewel de Oost-Europa Bank heeft vastgelegd dat tot 1994 veertig procent van alle middelen van de bank naar het GOS gaat, vreest Keller dat dat percentage door de starre houding van de Russische autoriteiten - het gros van de projecten is voor Rusland bedoeld - niet wordt gehaald. Thans gaat vijftien procent van het EBRD-kapitaal naar Rusland. “Er liggen tientallen Russische projecten in de kast, klaar om te worden getekend. Maar om dat te doen zonder garanties, is voor onze bank onmogelijk, omdat we onze kredietwaardigheid (AAA) niet mogen verliezen.”