Mijnenveld van onbeschoftheid

Twee vrolijke meisjes op een fiets voor de Bijenkorf. Ze hebben het stoplicht net niet gehaald. Op de strepen van de zebra staan ze stil. Het blonde meisje voorop de fiets heeft zich omgedraaid naar haar vriendin die met zwaaiende benen op de bagagedrager zit. Ze praten en lachen terwijl ze wachten tot het licht weer op groen schiet.

Dan is het alsof een voetzoeker onder de kwetterende meisjesfiets rolt. Ze hebben hem niet zien aankomen: een oudere heer in een regenjas is met grote stappen het zebrapad opgelopen. Zijn gezicht staat alsof alle onrecht van de wereld zich in dit ene moment samenbalt: “U staat op de zebra!”

Met een welgemikte duw gooit hij het meisje van de bagagedrager op het asfalt. Verbijsterd kijkt haar vriendinnetje toe hoe de bejaarde schoppend de overtreder van de verkeersregels terechtwijst. “U mag niet op het zebrapad staan”, sist de man, zijn ogen vol zure verongelijktheid. “Vuile hoeren”, roept hij de meisjes na, als die zich snel uit de voeten maken.

“Het lijkt wel of ze er op zitten te wachten dat je iets verkeerd doet”, zei een vriend toen hij onlangs na tien jaar in het buitenland terugkeerde naar de hoofdstad. Wie uit chaotisch toeterende steden als Rome, Parijs of Madrid naar Amsterdam komt, slaat een zucht van verlichting. Vriendelijke tafereeltjes van fietsende mensen, schone straten, keurige rijen bij winkels en postkantoren. “Waar ter wereld ligt zelfs een schroothoop er zo netjes bij”, schrijft bijvoorbeeld de uit Portugal afkomstige journalist J. Rentes de Carvalho in zijn boek over Nederland. Een buitenlander merkt het gelijk: “Hun hoofd staat niet naar fantaseren, tijdverlies, naar slordigheid; gebrand als ze zijn op planning, programmering, ordening.”

Ondanks het vele gemopper van Amsterdammers op de "kolerebende' zal de hoofdstad op een internationale schaal van regel en orde waarschijnlijk hoog scoren. Een overmaat aan diensten en controle-instanties houden de stad in het gareel - in welk land bestaat er zoiets als een Reinigings-politie? Oppassende, bewuste burgers wijzen elkaar op hun plichten. Niemand zal in deze stad kunnen vergeten welke regels er zijn en hoe ze dienen te worden nageleefd. “Heb je stront in je ogen, stomme kut”, is de veelgehoorde terechtwijzing bij stilstaan op zebrapaden of fietsen door rood. Wie wat langer in de stad verblijft, merkt echter dat er iets verdachts schuilt in de gretigheid waarmee Amsterdammers elkaar tot de orde roepen.

Persend en schurkend werkt de vrouw bij de supermarkt zich in de rij naar voren. Haar ogen schieten in het rond als van een roofvogel op zoek naar zijn prooi. Dan duwt ze haar boodschappenkar in de kuiten van een jongeman die het waagt een gat te laten vallen in de sliert wachtenden voor de kassa. De vrouw ontploft, eindelijk heeft ze een reden om een medeburger te bedelven onder gekaffer.

Het is niet alleen fysieke agressie waarmee overtredingen in de hoofdstad worden afgestraft. Ook de grove toon, het verlangen om te kwetsen, maakt onderdeel uit van het ritueel. “Zet een bril op, goor wijf”, roept een caféhouder terwijl hij een fiets naar het hoofd van een dame smijt die haar vervoermiddel voor zijn raam had geplaats. Een piepklein bordje "hier geen fietsen' heeft de handeling tot een overtreding gemaakt. De vrouw probeert de kaart van de humor te spelen en wijst naar de hoornen bril op haar neus. “Steek hem er dan van onderen in. Je bent toch al niet om aan te zien”, is de reactie van de caféhouder.

Men kan zich afvragen wat de functie is van het koeiegeloei dat dagelijks opstijgt uit de straten van de hoofdstad. In een stad met zoveel regels als Amsterdam is het ondenkbaar dat die niet worden overtreden. Dit maakt het openbare leven tot een mijnenveld waar onbeschoftheid de boventoon voert. Het Amsterdamse gekanker is waarschijnlijk eerder een uitlaatklep voor opgekropte agressie, dan dat het leidt tot een grotere zeebraafheid.