Ivo Pogorelich wil zich ontworstelen aan de klank van zijn vleugel

Concert: Ivo Pogorelich (piano). Programma: D. Scarlatti: 12 sonates; F. Liszt: Sonate in b kl.t.; A. Skrjabin: 2 Poèmes op. 32. Gehoord: 25/4 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 28/4, Groningen en 29/4, Utrecht.

Het eigenzinnige pianospel van Ivo Pogorelich heeft dertien jaar na zijn omstreden afwijzing voor de finale van het Chopinconcours in Warschau niets van zijn controversiële karakter verloren. Maar tijdens het concert dat Pogorelich gisteravond gaf in de Serie Meesterpianisten in het Amsterdamse Concertgebouw, ging het niet zozeer om de tekstgetrouwheid van zijn interpretaties als wel om zijn tweeslachtige houding ten aanzien van de piano.In technisch opzicht is Pogorelich heer en meester op zijn instrument, maar tegelijkertijd speelt hij alsof hij de klank van de vleugel als een belemmering ervaart bij het uitwerken van zijn muzikale ideeën.

Pogorelich bracht zijn keuze van twaalf van de 555 sonates van Domenico Scarlatti te briljant en te levendig om ze te laten verzanden in een al te romantische aanpak. Maar echt stijlbewust kon de uitvoering niet genoemd worden. In de melodiestemmen en akkoorden in de diskant was zijn toon vaak hard en zonder veel kleur. Ook viel een onnatuurlijk aandoend verschil in dynamiek op tussen begeleidingsfiguren en melodische lijnen. Zijn accenten klonken wat fel en spechterig.

Het gevecht met de pianoklank ontbrandde in volle hevigheid in de Sonate in b van Liszt. Pogorelich speelde met een bezetenheid alsof de vleugel een dwangbuis was waaruit hij zich met alle macht probeerde te bevrijden. De wolken van klank die hij uit het klavier beitelde, kwamen als het ware los te staan van het instrument dat ze voortbracht. Maar tussen de dertien episodes waaruit de sonate is samengesteld ontbrak toch een logisch muzikaal verband. De spanning die opgebouwd werd in de donderende oktaafpassages ontlaadde zich niet in de getemperde lyrische thema's. Hoe zacht en langzaam Pogorelich ook speelde, zijn cantabile had te weinig stilte om te kunnen werken als rustpunt.

Pogorelich is een meester van het virtuoze moment, maar zijn spel schiet tekort in het suggereren van het muzikale tijdsverloop, van spanning en ontspanning, verwachting en herinnering. Dat probleem liet zich vooral voelen in de Liszt-sonate, maar in mindere mate ook in de twee Poèmes op. 32 van Alexander Skrjabin die als een nog nauwelijks tonale voetnoot bij de sonate klonken.

De eerste van de vijf toegiften die Pogorelich gaf, het Intermezzo op. 118 nr. 2 van Brahms, bracht iets van de zangerigheid die in de andere programmaonderdelen had ontbroken. Een intermezzo inderdaad, want even later bevond Pogorelich zich al weer aan de grenzen van wat een mens nog kan spelen op een piano in het zeldzaam bewerkelijke Islamey van Balakirev.