Het bruggetje

Dorp tegen een berg. Huizen die bij elkaar op de rug zijn gezet. Zware muren, geblindeerde ramen, weerbarstig gesloten deuren. Deze huizen zijn bedoeld om binnen te zitten.

Over het stenen bruggetje met de oude hond. Dan de Place Basse. Dan de nauwe Rue Principale. Daar knarst een luik. Een arm naar links, een arm naar rechts, bonjour madame, bonjour monsieur. De prikkelende geur van aangestoken hout. De laatste ochtenden met vorst.

Daar rammelt iets van ijzer, daar wordt gesnoven en gekucht. Dat moeten koeien zijn. Ergens in de krochten aan deze straat staan koeien op stal.

Er is een supermarkt. Plaatselijke mannen houden zich schuil in een naburig portiek. Even na achten wordt een schielijk, okeren autootje van de posterijen verwacht: de Midi Libre, het laatste nieuws uit Banassac, Grandrieu, Florac, Parijs. Als geheim agenten komen ze te voorschijn om een exemplaar in ontvangst te nemen.

Er is een bakkerij. Daar wordt de stoep geveegd. Zwarte krullen, slanke spijkerbroek. Ze zet de bezem weg. Ze kijkt naar haar handen. Ze heeft het ontoegankelijke van de deuren hier.

En naar beneden weer, de stenen brug. Het beekje stroomt. De oude hond komt overeind. Hij heeft een zwak voor mensen met een brood onder de arm. Hij wil er kleine stukjes van. De kiezen meneer, de kiezen doen het niet meer.