Een vergeten aspect van de oorlog in ex-Joegoslavië

Dokument, Ned.1. 22.35-23.14u.

Tuzla, de Bosnische stad waar tienduizenden moslims uit het oosten van Bosnië hun toevlucht hebben gezocht en waarheen de afgelopen twee weken de gewonden uit Srebrenica zijn overgebracht, is sinds een dag of tien niet meer over de weg bereikbaar. De laatste verbinding, de weg van Split aan de Adriatische kust, is afgesneden door de gevechten tussen Kroaten en moslims in Midden-Bosnië.

Hoe moeizaam die verbinding al wàs voor die strijd ontbrandde, toont de reportage die George Mustert en zijn tolk Milan Stipetic voor de NCRV maakten van de busreis van de Kroatische hoofdstad Zagreb via Split naar Tuzla: vijftig uren, bange uren voor een groot deel, dwars door oorlogsgebied, “gevaarlijk en zwaar”, zegt de chauffeur, “ze ontzien zelfs ziekenauto's niet”. Wie met “ze” wordt bedoeld, zegt hij er niet bij, maar bedoeld worden duidelijk de Serviërs. De meeste passagiers zijn, voor zover valt op te maken, Bosnische Kroaten en Bosnische moslims die op weg zijn naar familie, die op familiebezoek zijn geweest en naar huis teruggaan of die op weg zijn naar het front “om onze dorpen te verdedigen”, zoals twee jongens laten weten.

Veel commentaar of eigen toelichting wordt in de reportage niet gegeven: het zijn de passagiers zelf die aan het woord worden gelaten, en mensen onderweg, inwoners van Tuzla, moslims en Kroaten, maar ook Serviërs, want Tuzla geldt met Sarajevo als de enige stad in Bosnië waar de drie gemeenschappen nog relatief vreedzaam met elkaar samenwonen. Die benadering laat onduidelijkheden, want wáár bepaalde beelden zijn opgenomen wordt vaak niet gezegd, en als er motorpech in beeld is, is niet zomaar duidelijk of het om de eigen bus of een andere gaat. Maar daar staat veel tegenover: elk kort relaas van elke passagier wordt in al zijn simpelheid menselijker en aangrijpender als de aanvullende uitleg wordt weggelaten. Het geldt voor de man uit Gradacac die zijn familie in een dorp aan het front wil bezoeken, “het is gevaarlijk, maar ik hou van Gradacac, kunt u dat begrijpen?”, net zoals het geldt voor de vrouw die de granaatsplinters nog in haar lijf heeft, maar toch het risico van een vlucht heeft genomen “om mijn kinderen te redden”.

De reportage maakt ook het een en ander duidelijk over de zich wijzigende verhoudingen in Tuzla zelf, waar de Kroaten en de moslims wel beweren dat hun Servische buren zich goed voelen en niet weg willen, maar waar de ondervraagde Serviërs wel degelijk bang zijn. Het ontbreken van commentaar maakt één ding duidelijk, een van die vaak vergeten aspecten van de oorlog in ex-Joegoslavië: de burgers zijn de dupe, en of het nu Kroaten, moslims of Serviërs zijn die verdriet hebben en bang zijn, dat verdriet en die angst zijn in alle gevallen even authentiek en even tragisch.