"Een coureur moet goed worden ingereden'

MAASTRICHT, 26 APRIL. De douches op het stoffige terrein van ENCI, één kilometer voorbij de eindstreep van de Amstel Gold Race aan de Maastrichtse Maasboulevard. Het is zaterdagmiddag. Jelle Nijdam heeft zijn wasbeurt al gehad als Rolf Järmann met Gianni Bugno duelleert om de hoofdprijs. Zeventig kilometer voor de finish is hij afgestapt. Het ging gewoon niet. Niet met hem, niet met zijn ploeg WordPerfect. En met geen enkele Nederlander, de routiniers Adri van der Poel en Gert-Jan Theunisse misschien uitgezonderd.

Leunend op een frame met één wiel staart Nijdam voor zich uit. “Een paar jaar geleden”, merkt hij somber op, “vlamden Frans Maassen, Edwig van Hooydonck en ik geregeld. Dit seizoen lukt er niets. Het kan toch niet zomaar ineens over zijn? Maassen werd tweede in de Ronde van Vlaanderen, mooi. Maar we hebben het talent om te winnen. Als de grote jongens zich inspannen rijden ze ons zó naar het tweede plan. Spijtig voor Jan Raas en de sponsor. Toch hebben we hard getraind, goed ons best gedaan. Er zit desondanks een gat tussen de Nederlanders en de anderen, de Italianen voorop.”

De oorzaak? Nijdam denkt na. “Ik houd niet van oefenschema's”, bekent hij. “De Zuideuropeanen zijn er gek op. En ik moet toegeven, ze hebben er momenteel succes mee. Neem Maurizio Fondriest. Bij Panasonic kon hij maar niet winnen, terug in Italiaanse dienst rijdt hij de stenen uit de weg. Van der Poel verhuisde naar Italië en beleeft daar een tweede jeugd. Het is het overwegen waard dat Italiaanse voorbeeld te volgen. Nu kun je niet meer op een andere training overgaan, daar is het gewoon te laat voor, maar komende winter moeten we er zeker over praten.”

Op nog geen steenworp van Nijdam is Peter Post druk in de weer. De manager van Histor heeft weinig vreugde beleefd aan de Amstel Gold Race, want ook zijn leerlingen stelden teleur. Eddy Bouwmans en Nico Verhoeven, zijn Nederlandse troeven, kwamen helemaal niet in beeld. Post heeft slechts deze twee landgenoten in dienst en dat is geen toeval. “Er is sprake van een dieptepunt”, legt hij uit, “al jaren gaat het met de vaderlandse wielersport de verkeerde kant op. De doorstroming van talent stagneert. Als ploegleider sta je machteloos, want je kunt geen goede renners máken. Een speciale training? Daar geloof ik niet in. De renners zijn profs, weten wat ze in dat opzicht moeten doen en laten.”

Toch ging Post ooit in zee met twee twee wielertrainers, eerst Ben Scheperkamp en vervolgens Ludwig Vandeputte. De laatste, van '87 tot en met '89 aan Panasonic verbonden - daarna werkte hij nog twee jaar bij TVM - herinnert zich nog hoe Post zich tegenover zijn werk opstelde. “Het was Peter om het even”, weet hij nog, “renners die behoefte aan mij hadden moesten me maar me raadplegen. Voelden ze daar niet voor, dan vond hij dat ook prima. Als ze maar presteerden.”

Vandeputte was afkomstig uit de atletiek. Hij leerde veel van Edmond Vandereynden, de coach van onder meer de toplopers Gaston Roelands, Karel Lismont en Miel Puttemans. Hij zegt geen dikke nek te hebben, geen opschepper te zijn, maar wel fier op zijn resultaten. “Iedereen kijkt thans verrast op van de mooie verrichtingen van Erik Breukink. Pas op: Toen ik hem bij Post onder mijn hoede had werd hij tweede in de Giro en won hij net als deze lente het Criterium International. Manolo Saiz, zijn huidige baas bij Once, hanteert een eenzelfde trainingswijze als ik. Hij begint in de winter. In dat jaargetijde moet je bijschaven aan het tekort. Bij Breukink, de tijdrijder en klimmer, betrof dat de snelheid. Bij Phil Anderson, die ik nog begeleid, ging het om het tijdrijden. Als de renners na Nieuwjaar aan de wegtraining beginnen, moet de locale spierconditie geheel in orde zijn. Simpel anders gezegd, ze moeten schijnbaar geen moeite hebben stil op de fiets te zitten, alleen de benen mogen bewegen.”

Vandeputte vergelijkt een wielrenner graag met een antieke auto. “Tegenwoordig koop je een wagen en mag je daar à la minute 200 kilometer per uur mee rijden. Een coureur is geen super-bolide, maar een old-timer. Die moet perfect worden ingereden, anders draait hij stuk. Bugno begrijpt dat, die gaat daarvoor naar professor Francesco Conconi, waar ook Claudio Chiappucci, Moreno Argentin, Tony Rominger en vele anderen komen. Helaas voelen veel Westeuropese renners of hun bazen daar niet voor. Neem Maassen, een van de grootste talenten. Hij blijft hangen, ik vermoed doordat hij een verkeerde seizoensaanloop heeft. Zo'n klasseman, ook nog laat begonnen, kan toch niet al opgebrand zijn? En Michel Zanoli, nog zo een. Heeft goud in de benen, maar er zal altijd lood uitkomen. Hij ziet het nut van een goede voorbereiding niet en heeft de verkeerde manier van leven.”

En zo kan de Belg nog wel even doorgaan. “Veel coureurs”, zegt Vandeputte, “zijn ook te gemakzuchtig. Stellen de training uit als het even regent. Een enkeling ziet in dat hij méér in zijn benen heeft, als hij te rade gaat bij een coach met vakkennis, bij iemand die hem op de voet volgt, controleert en desnoods tot de orde roept. Die zorgt dat hij er staat bij de hot-points, de vóór het seizoen met rood aangeduide wedstrijden. Discipline is nodig voor die jongens, die 't soms allemaal best vinden. Ze komen hun jeugd gemakkelijk door - een luizeleven hebben ze en ze verdienen ook nog eens bergen geld. De juiste mentaliteit ontbreekt, ja ook bij de coureurs in uw land, dat heb ik vijf jaar lang van dichtbij ervaren.”

De visie van Vandeputte is hard, somber, maar realistisch. En in elk geval is het zo dat het met het Nederlandse wielrennen bergafwaarts gaat. Dat moeten alle kenners beamen. Er is sprake van een impasse. De Amstel Gold Race (zonder Neerlands hoop en lichtpunt Breukink) bevestigde dat beeld zaterdag en de toekomst ziet er slecht uit. Want bij de amateurs dienen zich vooralsnog geen kampioenen aan.