Zo was het (slot)

Dan gingen wij 's zondagsmorgens met onze moeders naar de tennisclub. Het had niets met een club te maken: men sprak niet eens met de spelers op de aangrenzende baan behalve "dank u' voor een teruggeworpen bal. O ja, zeker "u' en geen ge-je en ge-jou: het kwam niet in hun hoofden op.

De heren droegen lange wit-flanellen broeken, in de winkel "pantalon' genaamd, en de dames hadden dunne katoenen kousen aan, witte wijde rokken en witte blouses. En allemaal een hoed. Een sportief wit hoedje. Zij hadden thuis natuurlijk nog wel zeven andere hoeden en hoewel psychologie in die jaren nog niet "in' was, had men de onuitgesproken overtuiging dat, als je niet geheel zeker was van de onverwoestbare trouw van je echtgenoot, de aankoop van een nieuw hoofddeksel wonderbaarlijke dingen teweegbracht inzake het herwonnen zelfvertrouwen en het “je kunt het me doen”.

De tennisbaan waar mijn moeder een minder dan middelmatig balletje sloeg, lag aan een met knotwilgen omzoomde buitenweg waar iedereen onbekommerd op liep. De vrees dat een mens wel eens bestolen, verkracht of vermoord kon worden bestond alleen maar in detectiveverhalen in het Engels.

Het groepje waar moeder mee speelde, bestond uit echtparen en een enkele gescheiden vrouw, die de test van het vrouwelijk deel van de echtparen dat ze het misschien met haar man zou aanleggen, glansrijk had doorstaan.

Bij de tennisbaan hoorde geen consumptietent, laat staan een restaurant. Je had brood bij je en als je dorst had, was dat jammer.

De kinderen van de tennissers werden geacht ballen te rapen, een opdracht waar ze zich met regelmaat aan onttrokken. Wij liepen van de baan weg en vingen kikkervisjes. Wat we met die kikkervisjes deden weet ik niet meer. Het terrein voor kikkervisjes op een bovenhuis had toch weinig perspectief. Maar we lieten ze wel in leven. We waren vriendelijke stadskinderen voor wie de omgeving van de tennisbaan met hondsdraf en dovenetel al een heel ding was.

In de jaren dat mijn moeder met vreugde de ballen in het net joeg, waren er twee tennissterren van wereldfaam: Susanne Lenglen, een française, geboren in 1899, en Helen Wills uit Berkeley. Je zag ze niet op de televisie want die bestond niet, maar de actie-foto's stonden regelmatig in de krant, evenals die van Tilden, een fors manspersoon geheel in het wit gekleed. Voor zover ik mij herinner, droeg Lenglen, evenals Wills, een kort wit rokje en haar benen waren kousloos. Ze tennisten op Wimbledon en het regende prijzen en onderscheidingen.

Ik geloof dat tennis in die jaren een vrij exclusieve sport was. Een sport, zoals alle sporten voor amateurs. Je had wel professionals maar die heetten trainer. Zij gaven lessen van een half uur en de onze keek ondertussen naar het gaas rond de baan of er eventueel een aanlokkelijk meisje stond. Aan kinderen vond hij natuurlijk niets en onze ouders waren al over de dertig dus die kon je ook vergeten. Ik vond die tennisles buitengewoon vervelend maar dat zegt niets want ik was even ambitieloos als onsportief. Maar mijn vader trainde met het puntje van zijn tong tussen zijn tanden want mijn vader deed nooit iets half. Als hij de bal een paar keer teruggeslagen had, was zijn dag weer goed.

Ik herinner mij ook niet meer wat wij deden als het op zondag regende. Ik vermoed dat we dan toch naar de baan gingen. Mijn moeder zei dan: het wordt wel weer droog. En het was altijd gezellig op de baan. Soms was er iemand met gevulde koeken. Stel je toch vòòr.