WALDORF-ASTORIA

De beschouwing van Henk van Gelder over het luxe hotel als een typisch Europese vondst (in zijn stuk over The Astors, Boekenbijvoegsel 17-4-93) is weer zo'n raar voorbeeld van "Euro(pa)centrisme'.

In de periode vanaf circa 1880 was het Amerikaanse luxe hotel op gebied van comfort (grootte van de kamers en kledingkasten, bediening en service), hygiëne (de verhouding aantal kamers vs aantal badkamers), (bouw)techniek (personen- en/of goederenliften, centrale verwarming, verlichting) en luxe (de gigantische sommen die aan het interieur werden besteed) al verreweg superieur aan de meeste hotels in Europa. De vormgeving van het exterieur was echter meestal niet zo indrukwekkend.

In vogelvlucht laat zich de ontwikkeling van het luxe hotel als volgt schetsen. Het luxe hotel ontstaat circa 1820 in Zwitserland; hotels in Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten volgen. Tot aan 1870 waren de Zwitserse en Franse hotels normatief, maar al omstreeks deze tijd begonnen welgestelde Amerikanen (!), die na afloop van de Burgeroorlog in groten getale naar Europa reisden - te klagen over een gemis aan comfort in de Europese hotels. Er groeide een kruisbestuiving tussen Europa en de VS; hotelmanagers bezochten elkaars hotels en vakbladen begonnen met publikaties. Steeds vaker werd ook in de VS aandacht besteed aan de vormgeving van de façade en naar Europees voorbeeld werd het personeel in de VS in livrei geperst. Maar het waren toch vooral de Amerikaanse ideeën over comfort, techniek en luxe die Europa benvloedden, waaronder bijvoorbeeld de eerder genoemde technische toepassingen, maar ook de stalen skeletbouw behoorde daartoe. Ook was er in Europa de introductie van de bar met krukken als aparte ruimte of van extra faciliteiten als winkels of theaterbespreekbureaus in de lobby. Het Duitse Handbuch der Baukunde schreef al in 1881 dat de Amerikaanse hotels op het gebied van luxueuze inrichting en "industrieel comfort' d.w.z. airconditioning, warm en koud water, centrale verwarming, badfaciliteiten, geen vergelijk hadden in Europa. Bovendien hadden de meeste luxe hotels in de VS ook nog enige andere functies: zo werd de helft rondom 1875 in New York al door families en alleenstaanden bewoond, gasten dus, die in het hotel dineerden, feesten organiseerden etc. Ook waren de lobby en gemeenschappelijke salons als bar(s), danszalen etc. in principe openbaar en te huur voor bals of andere sociale gebeurens. Dan kan men toch moeilijk volhouden, zoals Van Gelder schrijft, dat het Amerikaanse hotel "slechts een dak boven het hoofd van de reiziger was'.

Van Gelder noemt het Grand Hotel in Rome en de Ritz in Parijs als voorbeelden voor de bouw van Waldorf-Astoria in 1893/1896. Ik ken uit die periode geen Grand Hotel in Rome dat van enige betekenis was en de Ritz in Parijs stamt uit 1898. Het Waldorf-Astoria was echter wel het eerste echte "skyscraper' hotel dat met zijn Peacock-Alley waar de modieuze "beau-monde' van New York paradeerde, wereldberoemd werd.

Naar de ontwikkeling van het luxe hotel is enig onderzoek gedaan onder andere door Schmitt in 1982 die zich vooral heeft beperkt tot Europa (zonder Engeland) en door Williamson in 1930 voor de Amerikaanse situatie. Ook de architect R. Stern heeft met zijn magistrale werken over New York rondom 1900 en 1930 veel (nieuw) materiaal boven water gehaald. Een echt goede studie over het luxe hotel als mondiaal fenomeen bestaat jammergenoeg nog niet.

(de auteur hoopt spoedig in Leiden te promoveren op de cultuurhistorische studie "Dromen tussen Europa en de VS. Een visie op 100 jaar interieurinrichting aan boord van transatlantische passagiersschepen tussen Europa en de VS (1840-1940)'.