Taxi's

De Amsterdamse taxichauffeurs staan in een slecht blaadje. Ik vind dat onverdiend. Om me nader te verklaren vertel ik een paar kleine belevenissen.

In alle steden met kosmopolitische allure is het taxibedrijf oneindig veel beter georganiseerd dan in onze minimetropool. Ik neem nu niet de beroemde Londense taxi's, de speciale auto's met hun carrosserie waar je praktisch in kunt wandelen, maar de Newyorkse omdat ik daar meer van weet. Er zijn twee merken: Chevrolet en Dodge maar dat maakt geen verschil omdat ze allemaal geel zijn en even ruim. Wil je een taxi dan ga je aan de rand van de stoep staan, steekt je hand op en binnen twee of drie minuten heb je er een. De eerste aanslag is anderhalve dollar - tegen de koers van vandaag ongeveer ƒ 2,70 - en dan loopt het bedrag op met zulke kleine eenheden dat ik het niet eens uit m'n hoofd zou kunnen zeggen. Tot zover niets dan goeds.

De problemen beginnen als je de chauffeur hebt verteld waar je heen wilt. Dat komt doordat je meestal iemand treft die een paar weken geleden uit Jamaica of New Delhi is gekomen. Ik geef een voorbeeld. Niet zolang geleden wilde ik op een regenachtige avond van de 51ste straat in het midden van Manhattan naar Watt Street in de benedenstad. Nog geen minuut nadat ik het begin van uitvoering aan dit plan had gegeven zat ik op de achterbank van een zo goed als nieuwe Chevrolet, een van het dikke ronde type dat we hier nog niet kennen. Ik zei tegen de chauffeur: ""Watt Street.'' Hij gaf geen antwoord en begon te rijden, niet langs de kortste weg leek me, maar ik meng me daar niet in. Misschien wilde hij een opstopping vermijden en alles wat ik meer van de stad zie beschouw ik als een veraangenaming van m'n leven.

Na een poos in de verkeerde richting te hebben gereden draaide hij zich half om en vroeg: ""What street?'' Ik zei: ""Watt Street.'' Hij knikte. De tocht werd in dezelfde richting, de verkeerde voortgezet. Langzaam wordt in zo'n geval je vermoeden tot harde zekerheid: hij wist het niet. Ik zei iets van ahum, ik wil naar Watt Street.

""What street?''

""Watt Street!''

Hij parkeerde langs de stoep, haalde een stadskaart tevoorschijn die er voorzover ik dat van de achterbak af kon beoordelen niet de kaart van Manhattan was. Bombay, heb ik later gedacht want daar had hij tot een maand tevoren nog gewoond. Hij was een aardige man van tegen de veertig die een bouwbedrijf wilde beginnen als hij genoeg geld in de taxi had verdiend. Soms vraag ik me nog eens af wat er in zijn hoofd is omgegaan toen hij hoorde dat ik naar What Street wilde.

Het komt u misschien onwaarschijnlijk voor maar het is de zuivere waarheid. Een paar dagen later - het moet 1 maart zijn geweest - zat ik weer in een taxi, samen met mijn collega Lucas Ligtenberg. We gingen naar de benedenstad in de buurt van het Wereld Handelscentrum waar op 27 februari de bom was ontploft. De chauffeur wist precies de weg; hij had een stoutmoedige rijstijl; guerilla-achtig. We raakten in gesprek. Het bleek dat hij uit Afghanistan kwam. Hij moest harteljk lachen om die Amerikanen die zich druk maakten om zo'n bommetje en hij sprak wat meewarig over de daders: amateurs. De gemiddelde Afghaan had in één klap die twee torens omver geblazen.

Zulke avonturen beleef je niet in Amsterdamse taxi's.

Wat dan wel? Om te beginnen sta je hier ƒ 5,80 in de schuld vóór de taxi waar je in zit is gaan rijden. Dat is de "eerste aanslag' die niet wordt vastgesteld door de chauffeur maar door de gemeente in overleg met het "taxibedrijf'. Deze "eerste aanslag' is de hoogste ter wereld; er is geen echte stad die zich er zo grondig op toelegt de passagier officieel te beroven. Over het waarom daarvan zijn veel verhalen in omloop. Een gerucht wil dat de gemeente de ritprijs opjaagt om meer mensen in tram en bus te krijgen. Over de bus en de nieuwe trams wil ik geen kwaad woord zeggen, maar wel over de ludiek beschilderde roestbakken die nog altijd het grootste deel van het rijtuigpark vormen. Ik ga niet weer de litanie over frequenties, opstoppingen en gespuis afdraaien. Ik citeer de bestuurder van lijn vijf die op 21 april omstreeks twaalf uur de passagiers als volgt toesprak: ""Dames en heren, u hebt zeker wel gemerkt dat deze wagen nagenoeg stilstaat. Dat klopt. Hij is kapot. Volgende halte allemaal uitstappen!'

Het was mooi weer, maar gesteld dat het had geregend en je moest snel ergens zijn en je had vijf gulden op zak?

Weinig laat onze gemeentelijke overheid na om de taxi te doen uitsterven. Een van de betrouwbare standplaatsen is de Dam. Maar twee maal per jaar wordt dit plein verhuurd aan de kermis; dan kun je er in de draaimolen stappen. Van de kermis ben ik geen verklaard tegenstander al valt het me op dat men al jaren zijn best doet van het Amsterdamse centrum een permanente kermis te maken. Wel ben ik tegen de kermis op de Dam, ook uit naam van de radeloze toeristen die daar een taxi proberen te krijgen omdat ze naar Schiphol International Airport willen.

Ik kan me, kortom, voorstellen dat een Amsterdamse taxichauffeur uit z'n humeur raakt. En nu hebben we de passagiers nog niet behandeld. Veel van die mensen zijn spraakzaam en daarbij gemeenzaam. Ze behandelen de vrouw of man achter het stuur als hun psychiater, biechtinstantie of zien een goede gelegenheid om even zonder gevaar voor ontmaskering gewichtig uit te pakken. Veel van wat de chauffeur hoort bestaat uit misère, verongelijktheid, opschepperij, gekanker of leugens. Het is, zou je denken, bijna niet te vermijden dat het beroep tot een eenzijdige kijk op het leven en de wereld leidt; en daarom valt het te waarderen als een chauffeur zich mentaal ongeschonden jarenlang tegen dit gezeur handhaaft.

Zoals in ieder beroep heb je ook hier ellendelingen. Voor de verandering zal ik m'n ervaringen met deze categorie niet opschrijven. Ik ben er tegen dat men overgaat tot geweldpleging tegen de gesubsidieerde treintaxi. En verder weet ik zeker dat de Amsterdamse taxichauffeurs door hun stad slecht worden behandeld, tot nadeel van deze minimetropool en van de passagiers.