STILLE WOEDE; Paula D'Hondt en de strijd tegen de Belgische structuren

Geen dienaar van de macht door Paula D'Hondt, met een voorwoord van Wilfried Martens 192 blz., Dedalus 1993, f 29,90 ISBN 90 52810 84 2

De Belgische politica Paula D'Hondt heeft in haar zojuist verschenen memoires Geen dienaar van de macht haar leven opgeschreven met dezelfde directheid die haar openbaar optreden kenmerkt. Het komt allemaal recht uit het hart - en dat is hier niet ironisch bedoeld. Zij s ook zo. In de tijd dat zij lid was van de regering stapte zij bij demonstraties steevast naar buiten om eens te horen wat de mensen wilden. En anders stapten de mensen wel tijdens het weekend haar woning in het Oost-Vlaamse Kerksken binnen - om advies, bemiddeling of om het gemoed te luchten. Is het omdat Paula D'Hondt een matriarchale, makkelijk aanspreekbare vrouw is, van wie men wist dat ook zij altijd moest vechten?

Of het nu ging om haar plek in de CVP, in de Senaat, als staatssecretaris of minister en later als Koninklijk Commissaris voor de Migranten, zij wordt in België of op handen gedragen of grondig gehaat en meestal om dezelfde redenen. Een van haar laatste daden als Koninklijk Commissaris was getuigen voor de parlementaire commissie tegen de vrouwenhandel. Toen ze was uitgesproken, leverde ze bij de voorzitter een envelop in met namen van Belgische overheidsambtenaren die volgens haar medeplichtig waren. Het was D'Hondt ten voeten uit.

Op meer dan één manier is Paula D'Hondt een sleutelfiguur in de moderne Belgische politieke geschiedenis, en staat haar leven model voor een generatie machthebbers wier inspiratie wortelt in de sociale verhoudingen van eertijds. Die verhoudingen behoren inmiddels tot het verleden en zoetjesaan de erbij behorende generatie politici ook. Ze laten zielloze "structuren' achter, waar D'Hondt als een van de weinigen in België zich van binnenuit tegen is blijven verzetten. Het levensverhaal van D'Hondt, geboren 1926, omspant bijna de hele voorbije eeuw Zij schetst in onovertroffen detail de arbeidersemancipatie in het lang achtergebleven, agrarische Vlaanderen. Het was haar gedreven generatie die onder de invloed van sociaal-genspireerde priesters de kerk tot een nieuwe koers dwong en het fundament legde voor de christen-democratie in België. Dat tilt dit boek uit boven een modale terugblik van zo maar een politicus.

LAND VAN AALST

In Geen dienaar van de macht legt Paula D'Hondt uit waar het allemaal vandaan komt. Vooral de hoofdstukken over haar jeugd in het land van Aalst in de jaren dertig zijn de moeite waard. Het is Louis Paul Boon en Stijn Streuvels "revisited'. Met een fijne penseel treft zij de sfeer van het Vlaamse platteland, de zware nevels van katholicisme en de schrijnende werkelijkheid van het dorpse leven. Ze schrijft impressionistisch, met een spaarzaam en doeltreffend woordgebruik.

In haar jeugd was D'Hondt omringd door onafhankelijke denkers, die wel in de kerk zaten, maar toch "naast het spoor liepen'. Haar grootvader was een "Daensist', aanhanger van de christelijk sociale beweging, die recent door de bioscoopfilm "Priester Daens' breed in de belangstelling kwam. Ze zag haar grootvader z'n hele arbeidersbestaan uitjanken op het kerkhof, toen er een makker werd begraven die was gedood in een grondverzakking. Ze vertelt over "nonkel' Fons, die na een zwaar leven als wever, barbier was geworden. ""Doorheen zijn verhalen, zijn woorden en zijn vloeken hoorde ik het kraken van de ruggen van de arbeiders, vooral textielarbeiders, van deze sociaal verdoemde streek.' In zijn kapperswinkel zat Paula naast de Leuvense stoof in de grote rieten stoel te luisteren en werd ze wijs over de wereld. In menig krante-interview later vertelde ze al over haar vorming, maar nu is het allemaal uit eerste hand mee te beleven: de wrange momenten van bewustwording, de gesel der rangen en standen, de kindersterfte, het juk van armoe en misdaad.

Meneer pastoor was niet van haar vragen gediend en trok haar ooit wegens ""hinderlijke ijver' punten af, wat haar een felbegeerde prijs kostte. Dàt was pas onrechtvaardig. Uit de familietrommel komt ook het verhaal van de angstigste dag uit het leven van haar moeder. Toen de kerk alle Daensisten dreigde te excommuniceren en grootvader Sus de confrontatie aanging. Bij het huisbezoek van meneer pastoor stelde hij De Werkman, de krant van Pieter Daens, op de schouw tegen het Kruisbeeld tentoon. De pastoor keek de andere kant uit; het gezin was gered. De sleutel tot veel van D'Hondts stille woede zit in haar ervaringen met de kerk, een van de vele "structuren' waar ze het maar matig mee kon vinden.

Ze zag hoe de kerk het klasseverschil in stand hield. De armen werden stil begraven, de rijken met vertoon. Bij de dood van een werkman klepte het kloosterklokje één keer, voor de rijken twee. Bij overlijden kregen de armen een liggend kruis van stro in het venster, de rijken een staand van metaal. Zelf werd D'Hondt bij de geboorte van haar eerste kind levensgevaarlijk ziek. Maar de pastoor weigerde haar de communie omdat ze na het drinken van een glas water niet meer, zoals voorgeschreven, nuchter was. De pijn die ze toen voelde, doet de lezer alsnog huiveren.

GROEPSMEISJE

Het inzicht dat vier verschijningen van Onze Lieve Vrouw in korte tijd èn in België wel onzin moest zijn, bracht haar het nut van kritisch denken bij. Zo verliep de emancipatie van het katholieke Vlaamse arbei-dersmeisje als vanzelf. Steeds raakte ze verder weg uit de kerk, die eerst de arbeiders wegduwde en later de vrouwen niet begreep. Wat ze overhield was het idee dat ze de christelijke ""boodschap van liefde en mededogen' moest zien te ontdekken door ""bescheiden tussen de mensen te leven'. De praktische idealen zocht D'Hondt er later zelf bij.

Haar moeder was kantwerkster, haar vader zat bij het spoor. Zelf besloot ze alles op alles te zetten om te gaan studeren. Dat was gekomen op dat kerkhof, toen ze haar huilende grootvader bij het graf van de kameraad de vuisten had zien ballen om het armoedige arbeidersbestaan. Daar voelde het 9-jarige arbeidersmeisje ""uit een godvergeten dorp' haar eigen jeugd branden als een belofte en besloot ze de wereld te verbeteren.

Doelbewust voorkwam ze zelf dat ze op d'r 14de uit werken werd gestuurd. Als scholier in de oorlog in Brussel kwam D'Hondt terecht bij de vrouwelijke katholieke arbeiders jeugd, de VKAJ. Daar kreeg het idealisme vorm. Ze werd "kajotster' en kwam onder de invloed van priester Cardijn. Ze was, zegt ze zelf, lid van een ""bezeten generatie'. De christelijke idealen van solidariteit, verantwoordelijkheid en menselijke arbeid droeg ze uit, eerst als "groepsmeisje' in haar wijk en later als nationaal propagandist. Later op reis in de wereld ontdekte ze dat Cardijn in Vlaanderen op dezelfde wijze werd vereerd als Che Guevara op Cuba.

Haar eigen werk in de jaren veertig en vijftig stelt ze geamuseerd op één lijn met dat van de fundamentalistische islamieten van vandaag, waar veel Belgen zich zo druk om maken. De christelijke arbeidersvereniging, nu één van de machtigste organisaties in België, is volgens haar ""zoals zovele structuren om haar as gaan draaien.' Het resultaat is al even voorspelbaar: ""Emotie en bezieling zijn weggegleden', schrijft ze. Dat is ongemeen harde kritiek voor een CVP-politica.

Er zijn meer desillusies te noteren. ""De echte macht zit in structuren, nooit in personen'. Als staatssecretaris van PTT ontdekte ze dat structuren ook kunnen samenzweren - de ambtelijke dienst en de vakbonden smoorden al haar pogingen om postbeambten te laten vervolgen wegens het lastigvallen van vrouwelijke werknemers.

ABSOLUTE ZUIVERHEID

Over de emancipatie-idealen van pater Cardijn van toen zegt ze nu te moeten glimlachen. De arbeidsomstandigheden voor de man zo verbeteren dat het de vrouwen vergund werd hun afstompende werk neer te leggen en huisvrouw en moeder te zijn, daar draaide het in wezen om. Seksualiteit werd al even behoudend benaderd: absolute zuiverheid voor het huwelijk, en daarna veel kinderen. Analfabeten waren we, zegt ze nu, die met hun "gesublimeerde' standpunten veel arbeiders hebben afgestoten. Het leidde eerst tot verscheurdheid ten op zichte van de kerk en later tot quasi-totale onverschilligheid. ""Als de kerk jonge mensen verloren heeft, dan is het hier geweest'.

Aan de "verloofdencursussen' waarmee kerk en beweging het ideaal weer probeerden te verspreiden, deed ze maar niet mee. De kloof was te groot geworden. Paula D'Hondt trad evenmin ooit in dienst van de beweging - ze bleef "militante', vrijwilligster, een positie waarin ze zich altijd comfortabeler voelde. Later, als koninklijk commissaris voor de migranten, grijpt ze terug naar haar leven als kajotster. ""Het leek of veertig jaren uit mijn leven waren weggewist en ik de migrantenmeisjes van nu dezelfde weg zag gaan, compleet met dezelfde ouders en dezelfde discriminaties als wij toen en met dezelfde publieke banbliksems van de goegemeente als toen'. Want noch de Belgische Werkliedenpartij, noch de katholieke partij zaten toen echt te wachten op de doorbraak die de kajotters zo graag wilden. Alleen de kerk zag wat in Cardijn. Eindelijk een kans om de arbeiders weer binnen te halen, na het debâcle met priester Daens die er met arbeiders en al bijna was uitgegooid. Die houding zou omslaan toen de vrouwenemancipatie in de arbeidersbeweging opkwam. Uiteindelijk werd de VKAJ de voedingsbodem voor de christen-democratie in België.

Intussen volgde D'Hondt een opleiding aan de sociale school en werd "sociaal assistent' bij de Belgische Spoorwegen. Daar bleef ze bijna 25 jaar in dienst, tot 1974 toen ze werd gekozen tot lid van de Senaat. In 1951 trouwde ze en kreeg 5 kinderen. Als maatschappelijk werker bezocht ze de spoorwegarbeiders en hun gezinnen - de stokers, machinisten en de gewone werklieden. ""Ik wist dat het werk dat ik deed goed was, dat ik geen verraad pleegde'. Maar de top kon ze er niet halen; vrouwen hadden geen vooruitzichten bij de overheid.

In de arbeidersbeweging lag haar echte loopbaan - daar bracht ze het tot voorzitter van het Arbeidersvrouwengilde. Ze zag er de rol van de arbeidersvrouwen groeien. Eerst bespraken ze met elkaar de kansen van hun kinderen, die studeren moesten en het beter moesten krijgen. Gaandeweg betrokken ze er zichzelf bij. Langzaam daagde de fundamentele vraag: welke plaats neemt de vrouw eigenlijk in?

Aan de vanzelfsprekende positie van de kerk als leermeester werd openlijk getwijfeld - D'Hondt deed mee. Seksualiteit werd een thema. Discussies over "het statuut van de vrouw' begonnen. Taak en toekomst van de vrouw in het laatste kwartaal van de 20ste eeuw kwamen op de agenda. De arbeidersvrouwen spraken eerst nog onwennig, van spiekbriefjes. Maar alras ging het vlotter. Ook de tegenstand groeide evenwel. Paula D'Hondt doet in haar boek verslag van de protesten uit de kerk, het bezoek aan de ""minzame, koele en afwijzende bisschop', de arrogante pastoorsbrieven in De Standaard. Ze trad uiteindelijk uit de Pastorale Raad. ""Gezag is wat anders dan autoritair gedrag', concludeerde ze. Ze kreeg ook het harde verwijt ""verraad aan Cardijn' te hebben gepleegd. Zij was immers blijven werken, hoewel Cardijn het moederschap toch als ideaal had gesteld. De verantwoording daaromtrent legt ze nu in haar boek af.

FAVORITISME

De hoofdstukken over haar politieke loopbaan vragen om kennis van de Belgische politieke verhoudingen. Wie niet het Egmontpact paraat heeft of het emotionele debat over de francofonie in de Nederlandstalige Brusselse periferie kan taxeren, zal geneigd zijn door te bladeren. Die mist dan een onthutsend portret van de sterk verzuilde verhoudingen in de Belgische politiek, waar D'Hondt achttien jaar als verkozene in meedraaide. ""Kuiperijen, afspraken en fraude waren schering en inslag, zoals immers overal en altijd'. De gemeentepolitiek noemt ze ""ongemeen hard en onmenselijk, men vecht er stijlloos en brutaal, men heeft er vrienden maar nog meer vijanden'.

Toch deed ze hard mee. Als staatssecretaris en minister voegde ze zich naar het systeem van politieke ambtelijke benoemingen. Als senator onderhield ze een uitgebreid "dienstbetoon' in haar kieskring - ze regelde "gunsten' in Brussel voor haar kiezers. Ze lobbyde op afroep in Brussel om benoemingen, vergunningen, subsidiegelden, wegaanleg en huisvesting. Ze schrijft wel zich ""meid voor alle werk' te zijn gaan voelen. Maar toch deed ze het, als een soort "sociaal assistent' in de politiek.

In 1981 kwam D'Hondt onverwacht in de regering, als staatssecretaris voor PTT. In de partijpolitieke kansberekening bij de formatie kwam men een vrouwelijke CVP'er tekort, en nog wel uit haar kieskring. Bij de PTT trof ze een achtergebleven, overbezette en slecht geleide organisatie aan. Er werkten vijftigduizend man, er was nauwelijks automatisering, de juridische dienst bestond uit één persoon. Ze sloeg aan het saneren en investeren tegelijk en bouwde daarmee een degelijke reputatie op.

In de pers werd ze intussen beschouwd als het schoolvoorbeeld van favoritisme. Ze plaatste bijvoorbeeld de Dienst Luister- en Kijkgeld over naar haar eigen district, Aalst. Het gros van de nieuwe postbodes in Brussel leek in die tijd in Aalst te worden aangeworven. In 1988 werd ze dan kort minister van openbare werken. Daarna leek haar politieke loopbaan ten einde. De benoeming tot Koninklijk Commissaris voor Migranten weigerde ze twee keer, teleurgesteld, maar Martens drukte door.

Het werd aan de Wetstraat, het Belgische Binnenhof, als een degradatie beoordeeld. Haar arrondissement was woedend. ""Ik werd politiek melaats', constateert ze. Ze werd niet meer uitgenodigd op "fund-raisers' in haar eigen kieskring. Wat moet "Aalst' met een migrantencommissaris in Brussel? Er wonen daar nauwelijks vreemdelingen. De andere partijen waren dolblij dat de CVP zich deze baan had laten aansmeren. Haarfijn werd aangevoeld dat Paula D'Hondt in plaats van stemmentrekker een electoraal risico was geworden. De integratie van migranten was in geen enkele partij een populair onderwerp. Zelf was ze er ook ongelukkig mee - ze voelde zich aan de kant gezet. De "militante' beet zich echter vast en begon een kruistocht in België, met dezelfde strijdlust en geestdrift als uit haar kajotstertijd.

GENADELOOS AANGEVALLEN

Grote delen van de bevolking vonden dat D'Hondt zich met uitzetting en segregatie moest bezighouden. Toen echter bleek dat ze zich richtte op kansarmoede, scholing en integratie werd ze genadeloos aangevallen. Figuurlijk, maar ook letterlijk. Het Vlaams Blok drong tweemaal haar huis binnen; demonstranten probeerden haar auto om te keren, terwijl ze er nog inzat. Op straat, per post en in de media kreeg ze vijandige, verbitterde reacties, die werden aangewakkerd door het Vlaams Blok. Maar op uitnodigingen uit de oude wijken om ""maar eens bij ons te komen kijken, hoe het ècht is', ging ze in.

Vindt ze deze Belgische aanhangers van het Vlaams Blok racisten? Nee, schrijft ze. ""Deze volksmensen zagen hun eigen sociaal weefsel aangetast worden door vreemdelingen met wie zij op geen enkele wijze konden communiceren'. Niemand wees deze vreemdelingen er op dat ze de taal moesten leren, zich moeten inpassen en de ""fundamentele westerse ideeën moeten accepteren'. De rapporten waarin ze dat opschreef, bleven echter ongelezen aan de Wetstraat. De "hinderlijke ijver' van het arbeidersmeisje uit de "bezeten generatie' werd genegeerd. Pas na de verkiezingsoverwinning van het Vlaams Blok op 24 november 1991 kreeg Paula D'Hondt een centrale plaats in de Belgische politiek. Ze ontving reeksen onderscheidingen; haar publieke optredens werden nu wel opgemerkt. Zo werd ze het symbool van het andere, tolerante België. Maar de man die haar benoemde, Wilfried Martens, schrijft in zijn voorwoord: ""Toen ik op haar afscheidsreceptie zag wie haar nu kwam huldigen en zoenen, besefte ik dat de hypocrisie deze wereld niet uit is.'

Pagina Z1 en Z2