Sluimerende moordenaars

Nog 4300 jaar, dan zal een vijfde van Afghanistan vrij zijn van landmijnen. Voor al te veel optimisme is echter geen aanleiding: voorwaarde is dat de mijnopruimingswerkzaamheden in het huidige tempo worden voortgezet en dat er geen nieuwe mijnen bij komen. Het Internationale Comité van het Rode Kruis begon deze week met een grote campagne tegen het gebruik van mijnen, want het probleem beperkt zich niet Afghanistan. Ook in Cambodja, Mozambique, Angola, Nicaragua, de Falklandeilanden, Somalië, Ethiopië en Laos is iedere stap een waagstuk. Op en onder het aardoppervlak liggen op dit moment honderd à honderddertig miljoen landmijnen, maar dat aantal zegt weinig; wat telt is het aantal plaatsen ter grootte van een mensenvoet waar een mijn zou kunnen liggen, en dat zijn er miljarden.

In maart 1991 vluchtte Burhan Hamid, een Iraakse Koerd, naar Iran. Toen ik elf maanden later langs zijn groentewinkel in Khalifan liep, wenkte hij. Ritsen in de onderste helft van zijn broekspijpen werden geopend, en ik moest een foto maken van de twee grote poppebenen die herinnerden aan de mijn die sinds de Iran-Irak oorlog in het grensgebied van beide landen op hem had liggen wachten. In de hooggelegen Penjwin Vallei hielden families zich tezelfdertijd warm door een deel van hun huis in een ander deel te verstoken; buiten lag genoeg sprokkelhout, maar er lagen ook heel veel mijnen. En toen ik vorige zomer in de noordoost-hoek van Irak aan nomaden vroeg hoe vaak ze een schaap slachtten, was het antwoord "nooit'. Er trapten er zoveel op mijnen dat er nauwelijks tegenop te eten viel.

Het mijnenprobleem in een breder perspectief: in Angola missen nu 20.000 mensen, meest vrouwen en kinderen, een of meer ledematen. Van de 14.221 patiënten die tussen januari 1991 en juni 1992 in Rode Kruis-ziekenhuizen in Azië werden behandeld, waren er 3.262 mijnslachtoffer. De oorlog in Afghanistan kostte aan ruwweg een miljoen mensen het leven; 200.000 van hen waren op een mijn gaan staan. Eind 1989 begon de UNOCA, het VN-lichaam dat met de wederopbouw van Afghanistan was belast, met een ontmijningsprogramma: drie jaar later waren 20 UNOCA-medewerkers gewond, 16 gedood, en was 68 vierkante kilometer land min of meer gegarandeerd mijnvrij. Tussen 1945 en 1977 werden in Polen vijftien miljoen mijnen geruimd; in diezelfde periode werden 13.000 mensen door exploderende mijnen getroffen, van wie 4000 dodelijk. In de Verenigde Staten mist één op de 22.000 mensen een arm of been, in Cambodja één op de 236.

Oorlogen gaan voorbij, mijnen blijven. Als de tijd voor vrede en wederopbouw lijkt aangebroken, durven vluchtelingen niet naar huis en kunnen uitgestrekte landbouwarealen niet worden bebouwd. Het mijnenprobleem is daardoor direct en grootschalig gerelateerd aan de ontwikkelingsproblematiek in zeker twintig Derde-wereld landen, maar veel aandacht krijgt het niet. Sterker nog: als mondiaal aandachtspunt bestaat het nog maar net. Er was een mijnenprobleem in Cambodja, er was een mijnenprobleem in Afghanistan, er was een mijnenprobleem in Vietnam - maar tot voor kort was er geen mijnenprobleem in de wereld. Tot voor kort, want toonaangevende kringen, het Internationale Rode Kruis voorop, beginnen zich sinds pakweg een halfjaar te roeren. Rapporten worden verspreid, symposia belegd, persconferenties gegeven, kamervragen gesteld, oude verdragen onder de loep genomen, fondsen vrijgemaakt, protheses vervaardigd, mijnen geruimd.

Verprutst

Een van de wegbereiders voor het internationale bewustwordingsproces dat dezer dagen een aanvang lijkt te nemen, is Rae McGrath (46), directeur van de Mines Advisory Group. Het hoofdkwartier van de MAG is gevestigd in Cockermouth in het Engelse Lake District: vanuit een paar bescheiden kamers boven een winkel geven Rae en zijn broer Lou (40), beiden ex-militair, leiding aan returning mined land to the community worldwide, zoals het MAG-devies luidt. Omgeven door grote schema's aan de muren waarop te zien is welke MAG-medewerkers waar actief zijn, vertelt Rae waarom hij twee jaar geleden 's werelds eerste niet-gouvernementele ontmijnings-hulporganisatie oprichtte.

In 1981 nam hij ontslag uit het Britse leger met het gevoel dat hij achttien jaar van zijn leven verprutst had: in Hong Kong werd hij zo indringend geconfronteerd met het lot van de Vietnamese bootvluchtelingen, dat hij kort daarop geen senior staff sergeant meer was, maar medewerker van het Safe the Children Fund in Soedan, als begin van een lange reeks opdrachten in de noodhulp.

""In 1988 werkte ik in Afghanistan in de Paktya provincie, waar de Russen toen al vertrokken waren, bij een pilotproject voor verschillende NGO's. We hielpen bij het bouwen van bruggen, het reanimeren van de landbouw, enzovoort. En bij alles doemde dat mijnenprobleem op. Akkers wieden, irrigatiekanalen graven - levensgevaarlijk allemaal. We konden wel bruggen maken, maar grote delen van het wegennetwerk lagen vol mijnen. Ondertussen waren de Verenigde Naties bezig met een oplossing: Afghaanse vluchtelingen in Pakistan kregen een ontmijningscursus van twee weken, en konden dan terug naar hun land om de kennis in praktijk te brengen. Twee weken! Dat is net genoeg om te leren hoe je jezelf moet opblazen! Overigens gingen bijna alle cursisten na de opleiding terug naar het vluchtelingenkamp, ze hadden er geen zin in.''

Omdat er toch iets gedaan moest worden, begonnen McGrath en een andere Britse ex-militair zelf met mijnenruimen en cursussen geven, al spoedig in dienst van de VN. ""Ik had zo luidruchtig kritiek op ze geleverd, dat ze zeiden: jou nemen we, jij mag het doen'', memoreert McGrath. En die klus resulteerde weer in een opdracht van het Zweedse en het Noorse Afghanistan-comité om een gedetailleerd rapport te vervaardigen over de mijnen in het land. Met het lijvige Aghanistan Mines Survey van februari 1991, was ook de Mines Advisory Group geboren.

Op dit moment zijn er twee NGO's die zich met mijnen bezig houden - The Halo Trust, ook Brits, is de andere - terwijl Handicap International, een recente afsplitsing van Artsen Zonder Grenzen, protheses aanmeet. Als het aan McGrath ligt is het niet meer dan een pril begin, en zullen het er over een paar jaar tientallen zijn - zoals er nu ook tientallen NGO's bezig zijn met de bestrijding van de ergste honger en de grootste epidemieën.

Een van de redenen waarom de kwestie zo lang werd miskend, is volgens hem, paradoxaal genoeg, de omvang. ""Potentiële donoren zeiden tegen me: er zijn gewoon teveel mijnen, het vraagstuk is te omvangrijk om er iets aan te doen. En bij de grote NGO's vonden ze vaak dat het een militaire zaak was, ze hoopten dat militairen het ook wel weer zouden oplossen. Dat doen ze niet. Militairen kunnen een traject door een mijnenveld maken om kolonnes te verplaatsen. Land teruggeven aan de gemeenschap is iets heel anders, we zitten zelf nog midden in een leerproces.''

Machteloos

Landmijnen worden vervaardigd in ongeveer 35 landen; het aantal modellen is vrijwel onbeperkt. Voor mijnenleggers bestaat altijd het gevaar dat het wapen wordt ontdekt voordat de vijand erop gaat staan, en daarom worden de meeste mijnen tegenwoordig van kunststof gemaakt. Een metaaldetector is dan machteloos. Metalen detectieplaatjes worden er door de fabrikant vaak bij geleverd, en blijven bijna even vaak ongebruikt. Kunststof betekent ook dat de mijn nog beter bestand is tegen de elementen, en dat een röntgenapparaat de mijnsplinters in het gewonde lichaam nauwelijks meer ziet.

Een van 's werelds populairste mijnen is de Russische PMN, die eruit ziet als een lage plastic jampot met een soepele rubberen afsluiting aan de bovenkant: een druk van 250 gram is genoeg. Om de Italiaanse Valmara te activeren is ten minste zes kilo vereist, maar die doodt dan ook bijna iedereen binnen een straal van tien meter: een bus met 1200 kleine staalblokjes wordt bij aanraking rechtstandig omhoog geschoten, en explodeert dan zelf op 120 centimeter hoogte doordat een draad van die lengte de ontsteking in werking zet. Het grasgroene of zandgele vlindermijntje is extra gemeen omdat het plaatsen geen gevaar oplevert: ze worden met duizenden tegelijk uit een vliegtuig gegooid en dwarrelen dankzij twee vleugels rustig naar het aardoppervlak. Bij de landing worden ze automatisch op scherp gesteld; een gelukkige onvolkomenheid in de techniek zorgt ervoor dat het ontstekingsmechanisme meestal na een paar maanden onklaar raakt.

In het internationale mijnendebat gaan steeds meer stemmen op voor een totaalverbod op de produktie van mijnen die zichzelf niet na een paar weken of maanden onschadelijk maken. Echter: de zichzelf-onschadelijk-makende-mijn is een stuk duurder en voor de meeste guerrillageneraals te begrotelijk. Ernstiger nog: door een ongelukkige technische onvolkomenheid is het niet 100% zeker dat het uitschakelmechanisme altijd, overal en in alle gevallen werkt.

Voer voor pessimisten

Lou McGrath was geruime tijd bij het MAG-project in Cambodja werkzaam, en zijn mededelingen over de praktijk van het mijnen ruimen zijn voer voor pessimisten. Ondanks de populariteit van kunststof gaan er nog wel metaaldetectors mee, maar dan wel de allergevoeligste (van het Oostenrijkse fabrikaat Schiebel). Die kunnen in grensgevallen de minuscule hoeveelheid metaal detecteren waarmee het ontstekingsmechanisme van iedere mijn is uitgerust. ""Het punt is alleen dat je werkt in oorlogszones, dat er vaak kogels en hulzen in de grond zitten, en dat je detector die ook aangeeft. Je bent voortdurend aan het graven.''

De standaardmethode van de MAG is dan ook een andere, namelijk prikken, eindeloos vaak met een dunne metalen staaf schuin in de grond prikken tot hij niet verder kan en mogelijk een mijn heeft geraakt. Mijnen exploderen niet bij druk op de zijkant, maar ze kunnen schuin liggen, en dan kunnen ze dus wel ontploffen bij aanraking met de prikstok. Daarom liggen de mijnenruimers bij dit werk plat op de grond, in beschermende kleding, en mede daarom kost hun ongevallenverzekering enkele tienduizenden guldens per jaar.

De strategie van de MAG bestaat uit meer dan ruimen alleen. Lou vertelt over kinderen in Cambodja die jeu des boules speelden met ongeëxplodeerde mijnen, en over een meisje dat een lege mijn als een speeldgoedauto achter zich aan trok. ""Als ze dat mag, waarom zou ze een scherpe mijn dan niet aan een touwtje binden?'' Vandaar het grote belang van mine awareness programs. MAG-affiches met uiterst ontmoedigende foto's waarschuwen in vreemde talen en vaak nog vreemdere lettertekens om in onbekend gebied nooit buiten gebaande paden te lopen, en losliggende draden gewoon te laten liggen: een van de uiteinden zit soms vast aan een mijn van het Valmara-type.

Rae laat een primitief kaartje zien dat het MAG-team in Iraaks Koerdistan gefaxed heeft met de satelliettelefoon: een kleine, U-vormige bergketen met een reeks natuurlijke grotten diende het Iraakse leger tot voor twee jaar als wapenopslagplaats, en dient de plaatselijke bevolking nu als inkomstenbron. Met hamers en beitels bikken ze de koperen en andere waardevolle delen los van de fabrieksnieuwe mortiergranaten en de banden met mitrailleurpatronen. Af en toe wordt er te hard gebikt, en zes kinderen werden een paar dagen geleden dodelijk getroffen. Rae McGrath: ""Ons team wil nu weten of ze zich ook bezig moeten houden met het opruimen van alles wat in die grotten ligt. Het zijn geen mijnen, maar ik heb al laten weten dat ze het moeten doen. Als het allemaal geëxplodeerd is valt er ook nog wel geld aan te verdienen, alleen lastiger want veel onderdelen smelten aan elkaar vast. Het ligt op onze weg, niet alleen in Koerdistan, en het is onvermijdelijk dat we ons er mee bezig houden.''

Scholing is een andere beleidslijn. De professioneel getrainde ex-militairen van de MAG en The Halo Trust zijn schaars en duur; het kweken van een grote autochtone mijnruim-capaciteit werkt sneller. Het heeft ook een gevaar: mijnen zijn geld waard en er is een goede markt voor. Wie weet waar de mijnen liggen en hoe ze op onscherp gesteld moeten worden, hoeft ze niet onschadelijk te maken - hij kan ze bij wijze van gevarentoeslag ook verkopen aan de hoogstbiedende. Landmijnen vormen op dit moment een belangrijk exportartikel van Iraaks Koerdistan. Iedere nacht lopen honderden met opgegraven mijnen beladen paarden naar Iran. Onderweg dreigen Iraanse grenspatrouilles en onopgegraven mijnen; wie daar met succes langs komt kan de waar goed kwijt aan het Iraanse leger.

Lou: ""Wij hebben een heilige regel dat alles wat we vinden diezelfde dag nog tot ontploffing gebracht moet worden.''

Bordjes rond mijnenvelden vormen ten slotte een betrekkelijk simpel en effectief wapen. Van de ƒ 400.000,- die de Nederlandse Stichting Vluchteling ter beschikking stelde voor het werk van de MAG in Koerdistan, is de helft geoormerkt voor markering.

Mijnen treffen ook hulpverleners en ontwikkelingswerkers - en dus de organisaties waartoe ze behoren. Rae McGrath moet met spijt vaststellen dat de toenemende westerse aandacht voor het mijnenvraagstuk veel te maken heeft met de toename van het aantal slachtoffers in eigen gelederen. Complete NGO's worden in hun werk belemmerd terwijl hun medewerkers met knikkende knieën door het onderontwikkelde terrein stappen.

Dubieuze wapens

Terwijl de strijd tegen de mijnen in het terrein gestreden wordt met affiches, prikstokken en waarschuwingsbordjes, gaan in westerse wandelgangen en conferentiezalen de gedachten uit naar scherpere internationale regels en vooral krachtiger mechanismen om de naleving van de regels af te dwingen.

In principe hoeft op dit front geen verdere actie meer te worden gevoerd: sinds 10 oktober 1980 bestaat er een Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben, in de ambtelijke wandeling het dubieuze wapens verdrag (DWV) genoemd. Het is geënt op de Verdragen van Genève (1949) en meer in het bijzonder op de daarbij behorende protocollen van 1977. Volgens het DWV mogen mijnen wel, maar alleen onder strikte voorwaarden. Net als bij paaseieren moet je bijhouden waar je ze verstopt, ze mogen niet worden ingezet tegen burgers, etcetera - bij elkaar een tekst met een lengte van tweederde van dit stuk. Het DWV werd helaas slechts door 34 landen geratificeerd, ontbeert een verdragsorganisatie die op de naleving toe zou kunnen zien, en, misschien wel het grootste bezwaar, het is alleen bedoeld voor staten. Voor statenloze warlords heeft het DWV geen betekenis, als ze het al kunnen lezen.

Of toch wel? Gert-Jan van Hegelsom, specialist in humanitair oorlogsrecht bij de directie Juridische Zaken op het Ministerie van Defensie in Den Haag, is het niet zomaar eens met het idee dat het DWV in de praktijk weinig zin heeft. ""Ik ben van de school die blij is met de regelgeving. Er is behoefte, ook bij de warlords, om regels te hebben. De protocollen bij het Verdrag van Genève bieden aan verzetsbewegingen de mogelijkheid om een eenzijdige verklaring af te leggen dat ze zich eraan zullen houden, een mogelijkheid die het DWV overigens niet geeft. Natuurlijk kan iedere irreguliere strijdmacht laten weten het DWV na te zullen leven, maar het heeft in termen van internationaal recht geen betekenis.''

Toch zijn er goede redenen om het wel te doen, meent van Hegelsom, zeker als de tegenstander een staat is die het DWV ratificeerde. ""De betreffende regering kan veel eenvoudiger door de internationale gemeenschap onder druk gezet worden om het DWV na te leven, wanneer de strijdwijze van de tegenstander niet meer als excuus kan dienen.''

In de meeste oorlogszones is het helaas nog geen gewoonte om aldus uit de bestaande regels te halen wat erin zit. Van Hegelsom klaagt over "de volslagen onbekendheid van het verdrag", dat zelfs door min of meer beschaafde landen als Engeland en de Verenigde Staten nog niet is geratificeerd. Hij is dan ook geen voorstander van weer nieuwe verdragen, en verwacht geen concrete maatregelen van de toetsingsconferentie voor het DWV die in 1994 bijeen zal komen. Dat laatste is mede het gevolg van het bezoek van de Franse president aan Cambodja, in januari van dit jaar. Mitterrand was zo geschokt door het mijnenprobleem dat hij ter plekke orakelde dat er Iets Moest Gebeuren - het DWV alleen was een veel te zwak middel, er moest ook een verificatiemechanisme worden ingesteld, er moest een agence de déminage komen, en de handel moest worden beteugeld. Overigens was president Bush zo goed om vooruit te lopen op een moratorium, door vlak voor zijn vertrek, onder druk van het Congres, een eenjarig exportverbod op alle mijnen uit te vaardigen.

Ook binnen de Nederlandse regering genieten de mijnen sinds een half jaar veel meer belangstelling dan daarvoor, diplomatiek zowel als praktisch. Nederlandse militairen ruimden in 1991 al mijnen in Iraaks Koerdistan, doen dat nu in Cambodja, en er is sprake van uitzending van elf experts van het Explosieven Opruimingscommando naar een school voor mijnopruiming in Mozambique.

Ondertussen heeft de Zwitserse regering een conferentie op ministerieel niveau over het humanitair oorlogsrecht bijeen geroepen; de mijnenproblematiek zal daar zeker hoog op de agenda staan. En de afgelopen dagen hield het Internationale Rode Kruis in Montreux alvast een mijnensymposium waar experts uit de hele wereld met elkaar van gedachten wisselden. Hun rapport met aanbevelingen zal over vijf weken verschijnen.

Ook ondertussen blijven er iedere dag mijnen exploderen, gaan oorlogen door die officieel allang voorbij zijn. In Libië worden jaarlijks enkele tientallen mensen gedood door mijnen die daar een halve eeuw geleden werden begraven onder leiding van de veldheren Rommel en Montgomery. In sommige delen van Afghanistan vallen nu meer slachtoffers door mijnen dan een paar jaar geleden door de oorlog als geheel. En de strijd in Bosnië zal tot ver in de volgende eeuw levens blijven kosten.