Reken je rijk, vergeet de rente

Het is ontstellend hoe weinig de goeie ouwe spaarzame Nederlander begrijpt van het fenomeen rente. Mensen steken tienduizenden guldens eigen geld in hun huis en geven vervolgens hoog op van de lage maandlasten van hun hypotheek. Dat ze rente mislopen op het spaargeld dat ze eerst hadden, en dat dit technisch gesproken net zoiets is als de hypotheekrente die ze betalen (alleen een procentje voordeliger) wil er vaak maar moeilijk in.

En dat terwijl het bij veel grote uitgaven volkomen gebruikelijk is om de rente op genvesteerd geld in de kosten te verdisconteren. Als de Consumentenbond de maandelijkse kosten berekent van een automobiel of een diepvriezer, dan wordt daarbij de rente keurig netjes meegenomen. Zelfs bij een spaarlamp van drie tientjes wordt de rente op de aanschafprijs berekend, meestal in de vorm van een vast bedrag per maand of jaar. Dat blijkt een beslissende factor te zijn als het erom gaat of de spaarlamp behalve stroom ook geld bespaart: door de lage stroomprijs kunnen alleen spaarlampen die vaak en lang genoeg branden de onverbiddellijk doorlopende rentelasten vóór blijven.

Hier bereiken we een punt waar iedereen, zelfs de Consumentenbond, het spoor bijster raakt. Er is namelijk een essentieel verschil tussen spaarlampen enerzijds en auto's en diepvriezers anderzijds. Dat is dat spaarlampen, mits verstandig toegepast, zichzelf terugverdienen. Dat wil zeggen: na een zekere gebruiksduur, de terugverdientijd, is de besparing ten minste zo groot als de aanschafprijs plus rente. De terugverdientijd bereken je gewoonlijk door de aanschafprijs te delen door de netto besparing per periode, dat is de bruto besparing minus de rentelasten. De koper heeft na die tijd zijn geld dus terug en kan daar een nieuwe spaarlamp voor kopen zodra dat nodig is. Tot die tijd kan hij dit bedrag natuurlijk op de bank zetten en er rente van trekken. Hij hoeft daar niet eens mee te wachten tot hij de complete aanschafprijs bij elkaar heeft gespaard. De eerste bespaarde stuiver kan meteen al op een spaarrekening.

Maar dat betekent dat de berekening van de terugverdientijd niet juist is geweest! Bij elk produkt dat zijn eigen kosten terugverdient beginnen zowel het opzijgelegde bedrag als de daarover misgelopen rente direct na de ingebruikstelling af te nemen. Het uitgangspunt van constante rentelasten deugt niet. De totale rentekosten komen hierdoor aanzienlijk lager uit en de terugverdientijd wordt navenant korter. Vraag u dus altijd af hoe die is berekend.

In tegenstelling tot spaarlampen zijn auto's en diepvriezers puur consumptief. Bij een diepvries wordt de illusie van het tegendeel nog wel eens gekoesterd, want je kunt zo goedkoop uit zijn door de groenten van het seizoen in te vriezen. In de praktijk komt het er op neer dat je juist extra dure, makkelijke kant-en-klaar dingen koopt. In het bedrijfsleven dienen zulke machines vaak een produktief doel en verdienen ze zichzelf wél terug, maar nu heb ik het over consumenten. Die gaan met de auto naar Oma en dat mag zinvol zijn, het is niet produktief en ook niet besparend.

Een auto, laat ik me daar gemakshalve toe beperken, kost dus alleen maar geld. Eén van de kostenposten is de rente. Een eenvoudig voorbeeld: uw auto kostte 10.000 gulden en u hebt dat geld contant betaald. Bij 6 procent rente is dat volgens de gebruikelijke berekeningen 50 gulden per maand aan rente. Geld dat u derft omdat uw tien mille ook op de bank hadden kunnen staan.

Ook in zo'n geval stelt iedereen de rentelasten voor als een vast bedrag per maand. Weer fout. Zoals ik op de lagere school heb geleerd, moeten we werken met samengestelde interest. Na de eerste maand zou er in plaats van 10.000 gulden, 10.050 gulden op de bank hebben gestaan, dus de tweede maand loopt u 50,25 aan rente mis. Enzovoorts. In de zestigste maand had er 13.488,50 op uw rekening kunnen staan en bent u 67 gulden en 11 cent rente kwijt.

En dan doet u deze wagen, uw eerste, van de hand en koopt u een nieuwe. Wederom investeert u 10.000 gulden. Deze nieuwe auto, rekent de verkoper u voor, komt u te staan op 50 gulden per maand aan rente. U slikt dat voor zoete koek. Mijn vraag is dan: wat is er gebeurd met die tienduizend van uw eerste auto? Staan die opeens weer op de bank? Helemaal niet. Uw tweede investering brengt het totale bedrag dat u in autorijden hebt gestoken op 23.488,50 en uw rentelasten zijn in de eerste maand van uw tweede auto: 117,44 gulden. Als u 25 jaar lang op deze voet doorgaat is aan het begin van het 26ste jaar, direct na de aanschaf van uw zesde auto à 10.000 gulden, het bedrag dat u in een maand misloopt gestegen tot ƒ 19,88. Uw saldo zou ƒ 143.975,13 zijn geweest. Als u nu zegt dat een OV-jaarkaart ook een paar duizend gulden kost, en dat elk jaar weer, dan is mijn antwoord dat dat mooi opweegt tegen de overige kosten van het autorijden.

Een vakantie van tien jaar geleden, die destijds 3.000 gulden kostte, komt u nu te staan op 26,86 aan maandelijkse rentelasten (bij een schappelijk renteniveau van 6 procent). Telt u nu zelf eens al uw vakanties bij elkaar op. De afgelopen tien jaar moet ik per maand ongeveer 2.000 gulden hebben uitgegeven aan kosten van levensonderhoud. Op rente gezet had dat nu bijna drieëneenhalve ton kunnen zijn. Maandelijks gederfde rente: circa 1.700 gulden. Geld uitgeven is een dure liefhebberij.